ECLI:NL:RBDHA:2026:9511

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
NL25.30433
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 VwArt. 31 lid 4 ProcedurerichtlijnArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep tegen niet tijdig beslissen

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van een vreemdeling om de minister van Asiel en Migratie te veroordelen tot vergoeding van proceskosten. Verzoeker had een beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag, maar dit beroep ingetrokken nadat de minister een besluit had genomen dat tegemoetkwam aan zijn verzoek.

De rechtbank oordeelde dat het beroep niet aan de voorwaarden voldeed omdat de ingebrekestelling prematuur was ingediend. Dit hing samen met het Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) dat de beslistermijn opschortte vanwege de complexe situatie in Syrië. De rechtbank interpreteerde het BVM als een opschorting van de beslistermijn, waardoor de minister uiterlijk op 14 juni 2025 een besluit moest nemen.

Omdat de ingebrekestelling op 8 mei 2025 werd gedaan terwijl de beslistermijn nog niet was verstreken, was het beroep niet ontvankelijk geweest indien het niet was ingetrokken. De rechtbank wees daarom het verzoek om proceskostenvergoeding af. De minister had overigens in een brief aangegeven bereid te zijn de proceskosten te vergoeden, maar dit beïnvloedde de juridische beoordeling niet.

De uitspraak benadrukt de toepassing van het BVM en de voorwaarden voor het indienen van een beroep tegen niet tijdig beslissen, waarbij de opschorting van de beslistermijn centraal staat.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid van het beroep tegen niet tijdig beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30433

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], verzoeker,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om de minister te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Onder welke voorwaarden kan een verzoek tot vergoeding van de proceskosten worden ingediend?
2. Verzoeker heeft zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen ingetrokken, omdat de minister door het nemen van een besluit tegemoet is gekomen aan zijn verzoek. Verzoeker heeft daarbij gevraagd om de minister te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten. [2]
3. Als niet is voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit, bestaat geen recht op een vergoeding van de proceskosten.
Voldoet het beroep van verzoeker aan de voorwaarden?
4. Gelet op de datum van de aanvraag is WBV 2023/3 [3] het in deze zaak toepasselijke
wijzigingsbesluit. Anders dan deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 11 april 2024 [4] heeft geoordeeld, is zij nu van oordeel dat dit besluit onrechtmatig is, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2025. [5] Dit betekent dat de minister in dit geval in beginsel binnen zes maanden een beslissing op de aanvraag van eiser diende te nemen. Met het besluit van 11 december 2024 heeft de minister een Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) ingesteld voor vreemdelingen uit Syrië [6] , in werking getreden op 14 december 2024. Het BVM gold tot en met 13 juni 2025.
5. De grondslag voor het BVM ligt in artikel 43, eerste lid, van de Vw, waarin artikel
31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn is geïmplementeerd. In artikel 43, eerste lid, van de Vw staat dat de minister de beslistermijn kan
verlengentot ten hoogste 21 maanden, indien naar verwachting voor een korte periode onzekerheid zal bestaan over de situatie in het land van herkomst. In artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn staat dat de lidstaten de onderzoeksprocedure kunnen
uitstellenin individuele gevallen bij een onzekere situatie in het land van herkomst.
6. De rechtbank ziet aanleiding om de term verlengen in het BVM op te vatten als
opschorten. Daarbij neemt de rechtbank het bepaalde in artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn in aanmerking en het feit dat de Procedurerichtlijn van recentere datum is dan de totstandkoming van de Vreemdelingenwet en het bepaalde in artikel 43. Verder is van belang dat de Engelse versie van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn het heeft over postpone. De rechtbank vindt ook steun in het doel en de strekking van een BVM. Een BVM ziet op de situatie waarin niet beslist kan worden op aanvragen, omdat de situatie in het land van herkomst zodanig complex is dat geen weloverwogen besluit kan worden genomen. Op het moment dat de situatie niet langer complex is en het BVM niet langer van kracht is, gaat de beslistermijn weer lopen en kan de minister weer besluiten nemen. Dat de wet en het BVM zelf over verlengen spreken in plaats van over opschorten doet hieraan niet af. [7]
7. Het voorgaande maakt dat de rechtbank uitgaat van een opschorting van de beslistermijn gedurende de geldigheid van het BVM. Deze opschorting geldt ook voor aanvragen waarvan de beslistermijn al was verstreken op het moment dat het BVM van kracht werd. [8] In de zaak van eiser is de aanvraag ingediend op 6 december 2023. De beslistermijn was voordat het BVM van kracht werd al verstreken. De opschorting van de beslistermijn betekent in dit geval dat de minister uiterlijk op 14 juni 2025 een besluit had moeten nemen op de asielaanvraag. Eiser heeft de minister op 8 mei 2025 in gebreke gesteld, de beslistermijn was toen nog niet verstreken. Dit betekent dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend. Het beroep voldoet daarom niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen. [9] Het beroep zou niet-ontvankelijk zijn verklaard wanneer verzoeker dit beroep niet had ingetrokken.
8. Het beroep van verzoeker voldoet niet aan de voorwaarden, het verzoek om een
proceskostenveroordeling zal dan ook worden afgewezen.
9. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de minister in zijn brief van 21 januari
2026 aangeeft bereid te zijn de proceskosten van verzoeker te vergoeden. Wat daar ook van zij, het maakt de beoordeling van de rechtsgeldigheid van de ingebrekestelling niet anders. Verzoeker kan zich tot de minister richten met betrekking tot de door hem getoonde bereidheid.

Conclusie en gevolgen

10. Het verzoek om de minister te veroordelen in de proceskosten wordt afgewezen.

Beslissing

- De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van
A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Awb, nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023/3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Stcrt. 2023, 3235.
5.ECLI:EU:C:2025:326, alsmede de conclusie van de advocaat-generaal: ECLI:EU:C:2024:1028.
6.Besluit van 11 december 2024 tot het instellen van een besluitmoratorium en een vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Syrië (
9.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb