Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9400

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
AWB 25 / 556 en AWB 25 / 558
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 VwArt. 3 EVRMArt. 8 EVRMArt. 7 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op uitstel vertrek wegens medische zorg in Egypte

Eiser, van Egyptische nationaliteit, verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet vanwege zijn complexe medische situatie. De minister van Asiel en Migratie wees dit verzoek af, gesteund op meerdere adviezen van het Bureau Medische Advisering (BMA) waarin werd geconcludeerd dat de benodigde behandeling en medicatie in Egypte beschikbaar zijn.

Eiser stelde dat hij vanwege zijn Koptisch Christelijke achtergrond en financiële situatie geen toegang tot adequate zorg zou hebben. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende concrete en op zijn situatie toegespitste informatie had overlegd om dit aannemelijk te maken. Ook had hij niet voldoende onderbouwd dat hij de kosten van de zorg niet kan dragen of dat mantelzorg ontbreekt.

De rechtbank bevestigde dat het BMA-advies zorgvuldig tot stand was gekomen en dat verweerder terecht op dit advies had gebaseerd. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. De rechtbank wees tevens op de mogelijkheid van hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep op uitstel van vertrek wegens ontoegankelijkheid van medische zorg in Egypte wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 25/556 (beroep)
AWB 25/558 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1958, van Egyptische nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser),
(gemachtigde: mr. T.F.W. Kouwenhoven)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J. Albarda).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om toepassing van artikel 64 van Pro de Vw [1] en zijn verzoek om een voorlopige voorziening
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 16 april 2021 afgewezen (het primaire besluit). Met het besluit van 7 januari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven (het bestreden besluit).
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, dat ertoe strekt dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft vervolgens een aanvullend stuk ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft de zaken op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigden en de gemachtigde van verweerder. Tevens waren [persoon 1] en [persoon 2] van VluchtelingenWerk Nederland aanwezig als voormalig en huidig juridisch begeleider van eiser.
1.4.
De rechtbank heeft tijdens de zitting het onderzoek geschorst om verweerder de gelegenheid te geven te reageren op de aanvullende gronden van eiser. Nadat verweerder heeft gereageerd en geen van de partijen binnen de daarvoor gestelde termijn heeft laten weten prijs te stellen op een nadere zitting, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van het verzoek van eiser om uitzetting achterwege te laten vanwege zijn gezondheidstoestand en zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen en wijst de voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
3. Op 4 februari 2021 heeft eiser een aanvraag tot toepassing van artikel 64 van Pro de Vw ingediend. Verweerder heeft aan het BMA [2] gevraagd onderzoek in te stellen naar de medische problematiek van eiser. Op 4 maart 2021 heeft het BMA advies uitgebracht. De BMA-arts verwacht bij uitblijven van de behandeling ten aanzien van de diabetes mellitus, hypertensie en boezemfibrilleren/-fladderen een medische noodsituatie op korte termijn. Ook geeft de BMA-arts aan dat de vereiste behandeling en medicatie in het land van herkomst aanwezig is.
3.1.
Verweerder heeft de aanvraag van eiser, onder verwijzing naar het advies van het BMA, op 16 april 2021 afgewezen. Eiser heeft op 10 mei 2021 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Op 10 mei 2021 heeft eiser tevens de rechtbank Den Haag verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 18 maart 2022 is dit verzoek door deze rechtbank en zittingsplaats, afgewezen. [3] Op 20 juli 2021 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
3.2.
Eiser heeft tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar beroep ingesteld. Het beroep is bij uitspraak door deze rechtbank en zittingsplaats, op 18 maart 2022 gegrond verklaard. [4] Verweerder is opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van 10 mei 2021.
3.3.
Op 11 augustus 2022 heeft verweerder opnieuw aan het BMA gevraagd onderzoek in te stellen naar de medische problematiek van eiser. Op 9 januari 2023 heeft het BMA advies uitgebracht. De BMA-arts verwacht bij uitblijven van de behandeling een noodsituatie op korte termijn. Ook geeft de BMA-arts aan dat de vereiste behandeling en medicatie in het land van herkomst aanwezig is.
3.4.
Naar aanleiding van de meest recente medische gegevens van eiser is op
28 november 2023 aan het BMA gevraagd onderzoek in te stellen naar de medische problematiek van eiser. In het advies van 11 juni 2024 heeft het BMA – zakelijk weergegeven – aangegeven dat uit de informatie van de behandelaar volgt dat eiser kampt met suikerziekte (diabetes mellitus), verminderde schildklierwerking (hypothyreodie), hoge bloeddruk (hypertensie), verminderde functie van de nieren, chronische pijnklachten na een ongeval in 1995 waardoor de mobiliteit beperkt is, een multipel myeloom en fors overgewicht. Ook is gebleken dat eiser tot mei 2021 behandeld is voor een folliculair lymfoom en last heeft van lang bestaande waanbeelden waarvoor nooit behandeling is ingesteld. De diagnose schizofrenie komt in het dossier voor maar blijkt nimmer duidelijk bevestigd te zijn. Betrokkene zou in 1999 eenmalig door een psychiater beoordeeld zijn. Gegevens daarvan zijn niet beschikbaar. De BMA-arts verwacht bij uitblijven van de behandeling een noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes
maanden. Ook geeft de BMA-arts aan dat de vereiste behandeling en medicatie in het land van herkomst aanwezig is.
3.4.1.
Tevens moet een ambulante behandeling gecombineerd worden met thuiszorg of mantelzorg. Voor mantelzorg geldt dat een onderzoek naar de aanwezigheid hiervan in het land van herkomst, of het land van terugkeer, buiten de competentie valt van de medisch adviseur. Dit geldt ook voor onderzoek naar mantelzorg in de vorm van (24-uurs) opvang en begeleiding door bijvoorbeeld een vrijwilligersorganisatie. Wel is onderzoek gedaan naar zorg, zoals aangegeven bij mantelzorg, in de vorm van aanwezigheid van professionele zorg aan huis of andere vormen van professionele zorg in het land van herkomst, of van terugkeer. Deze professionele zorg is volgens de BMA-arts aanwezig is het land van herkomst.
Besluitvorming
4. Verweerder heeft de aanvraag van eiser onder verwijzing naar het advies van het BMA van 11 juni 2024 afgewezen.
4.1.
Ten aanzien van de verwijzing van eiser naar een e-mail van Vluchtelingenwerk Nederland en het ambtsbericht Egypte - november 2021 (publicatie 8 februari 2022), waaruit zou blijken dat koptische christenen in Egypte in de praktijk achtergesteld zijn en te maken hebben met discriminatie en obstructie bij toegang tot overheidsfaciliteiten, stelt verweerder dat eiser niet met op zijn specifieke situatie toegespitste informatie heeft onderbouwd dat hij geweigerd zal worden voor zorgverlening bij bijvoorbeeld de door BMA genoemde instellingen.
4.2.
Ten aanzien van de stelling van eiser dat hij geen informatie over medische kosten kan overleggen, stelt verweerder het volgende. Eiser heeft een e-mail van 18 januari 2023 van zijn gemachtigde aan de door BMA genoemde apotheek overgelegd met het verzoek om informatie te verschaffen over de kosten voor medicatie. Daarop zou niet zijn gereageerd. Het had op de weg van eiser gelegen om op andere wijze een herhaalde poging te doen om informatie te verkrijgen. Niet is gebleken dat hij in de afgelopen ruim tweeënhalf jaar daartoe pogingen heeft ondernomen. Verder had eiser ook bij andere instellingen informatie kunnen inwinnen over de kosten van zijn behandeling. Eiser heeft dus niet de inspanningen geleverd om de kosten voor de behandeling aannemelijk te maken die voortvloeien uit het Paposhvili -arrest [5] . Verweerder kan daarom niet beoordelen wat de kosten zijn van zijn behandeling en medicatie.
4.3.
Ten aanzien van de kosten van de behandeling stelt verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt wat de kosten voor noodzakelijke zorg zijn. Daarnaast heeft eiser onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat hij dit niet kan betalen. Ook heeft eiser niet aangevoerd dat de afstand tussen zijn woonplaats en de zorginstellingen onoverbrugbaar zou zijn. Derhalve is er geen sprake van een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM [6] om medische redenen.
Gronden van eiser
5. Eiser stelt dat aan hem ten onrechte geen uitstel van vertrek is verleend op grond van artikel 64 van Pro de Vw. Verweerder stelt dat niet is aangetoond dat eiser persoonlijk problemen zal ondervinden bij het verkrijgen van toegang bij de door BMA genoemde instellingen door zijn Koptisch Christenschap. Dat eiser dit moet aantonen is een te hoge lat die hem wordt opgelegd. Eiser moet dit enkel aannemelijk kunnen maken. Voor zover verweerder overweegt dat niet is aangetoond dat eiser geen recht zou hebben op een publieke zorgverzekering, wordt verwezen naar de overlegde stukken: een Egyptische advocaat legt uit dat voor toegang tot de publieke zorgverzekering vereist is dat eiser een arbeidshistorie heeft in Egypte. Die heeft hij niet en kan hij gelet op zijn leeftijd en medische situatie ook niet opbouwen. Ook is het eiser na herhaaldelijk contact met [persoon 3] niet gelukt om het merendeel van de prijzen van de benodigde medicatie te achterhalen. Tot slot heeft verweerder ten onrechte niet getoetst aan artikel 8 van Pro het EVRM en artikel 7 van Pro het Handvest [7] .
Is het BMA-advies zorgvuldig tot stand gekomen?
6. Volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter is een advies van het BMA een deskundigenadvies. [8] Daarbij behoort het tot de deskundigheid van het BMA om te kunnen beoordelen of een nadere specialistische inbreng nodig is voor de beantwoording van de vragen van verweerder over onder meer de behandelmogelijkheden in het land van herkomst. [9] Als verweerder een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, moet hij zich er op grond van artikel 3:2 van Pro de Awb [10] van vergewissen dat dit advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de gevolgde redenering begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als dat het geval is, kan de uitkomst van een deskundigenbericht alleen met succes worden bestreden als er concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid van het deskundigenadvies worden aangevoerd, bijvoorbeeld door middel van een contra-expertise.
6.1.
De rechtbank oordeelt als volgt. Dat de BMA-arts in het geval van eiser geen nader advies heeft ingewonnen over de aanwezigheid van mantelzorg in het land van herkomst, betekent niet dat om die reden het medisch advies van 11 juni 2024 niet zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit het BMA-advies blijkt dat professionele zorg aan huis wel beschikbaar is in het land van herkomst. [11] Op basis van die informatie is de BMA-arts tot de conclusie gekomen dat de benodigde zorg en medicatie aanwezig is in het land van herkomst en dat eiser met de benodigde medicatie om de reis te overbruggen, kan terugkeren naar Egypte. Dat de medisch adviseur daarnaast zelfstandig onderzoek had moeten doen naar mogelijke mantelzorg in het land van herkomst, volgt niet uit wet- of regelgeving noch uit jurisprudentie. Het is immers aan de arts van het BMA om op basis van de door de behandelaar van eiser verstrekte medische informatie een inschatting te maken van het risico op een medische noodsituatie als de behandeling van eiser zou stoppen. Van een onzorgvuldigheid op dit punt is de rechtbank niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de benodigde zorg in Egypte feitelijk toegankelijk voor eiser?
7. Zoals de Afdeling onder meer heeft overwogen in de uitspraak van 26 mei 2023 [12] is het volgens het arrest Paposhvili aan een vreemdeling zelf om aannemelijk te maken dat hij op grond van zijn slechte gezondheid een reëel risico in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM loopt en dat, indien deze beschikbaar is, de medische zorg in zijn geval niet feitelijk toegankelijk is. Dit hoeft volgens het EHRM geen ‘clear proof’ te zijn. De Afdeling verwijst bij wijze van voorbeeld naar de uitspraak van 21 februari 2019 [13] en de uitspraak van 14 december 2021 [14] . Dit betekent onder meer dat verzoeker aannemelijk moet maken wat de kosten van de behandeling in Egypte zijn en, indien hij stelt dat deze behandeling om financiële of andere redenen feitelijk niet toegankelijk is, ook dat met concrete gegevens aannemelijk moet maken
.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daar niet in geslaagd. Met de door hem overgelegde informatie heeft eiser niet voldoende aannemelijk gemaakt dat hij, mede doordat hij Koptisch Christen is, geen zorgverzekering kan krijgen. Eiser heeft niet met op zijn specifieke situatie toegespitste informatie onderbouwd dat hij geweigerd zal worden voor zorgverlening bij bijvoorbeeld de door BMA genoemde instellingen. Verder heeft eiser niet onderbouwd hoe hoog zijn zorgkosten zullen zijn. Eiser heeft een e-mail van 18 januari 2022 aan de door BMA genoemde apotheek overgelegd met het verzoek om informatie te verschaffen over de kosten voor medicatie. Daarop zou niet zijn gereageerd. De overgelegde onbeantwoorde e-mail is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat eiser zijn zorgkosten niet zal kunnen betalen. Daarnaast heeft eiser niet onderbouwd dat hij geen zorgverzekering zou kunnen krijgen om de zorgkosten mee te bekostigen. Niet is gebleken of en zo ja, hoe vaak eiser contact heeft opgenomen met een verzekeringsmaatschappij en bij hoeveel verschillende verzekeringsmaatschappijen hij heeft geïnformeerd. Tevens heeft eiser niet onderbouwd, indien hij geen verzekering zou kunnen krijgen, dat hij zijn zorg op geen andere wijze vergoed kan krijgen. Eiser heeft immers geen inzicht gegeven over zijn financiële situatie in Egypte, niet onderbouwd dat hij geen pensioen zou kunnen krijgen en niet onderbouwd dat hij geen familieleden of een sociaal netwerk heeft die hem kan helpen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
9. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de
voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
10. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
in de zaak geregistreerd onder zaaknummer AWB 25/556:
- verklaart het beroep ongegrond;
in de zaak geregistreerd onder zaaknummer AWB 25/558:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Bureau Medische Advisering.
3.Zaak AWB 21/2850.
4.Zaak AWB 21/4755.
5.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
7.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 10 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:974.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3932.
10.Algemene wet bestuursrecht.
11.Uit brondocument AVA 18152 blijkt dat deze professionele zorg wel aanwezig is o.a. in Ya doctory, Heliopolis, Cairö.
13.ECLI:NL:RVS:2019:571, onder 2.1.
14.ECLI:NL:RVS:2021:2799, onder 7 en 7.1.