ECLI:NL:RVS:2014:974
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat uitzetting vreemdeling naar Afghanistan niet in strijd is met medische noodsituatie
De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel wees een aanvraag van de vreemdeling af om zijn uitzetting te voorkomen op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde.
De Raad van State oordeelde dat het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) zorgvuldig was en dat de psychische problematiek van de vreemdeling bij de beoordeling was betrokken. Het BMA stelde vast dat de vreemdeling medische zorg en medicatie nodig heeft, maar dat deze zorg in Afghanistan beschikbaar is.
De Raad overwoog dat uitzetting op grond van artikel 3 EVRM Pro alleen in uitzonderlijke omstandigheden verboden is, namelijk wanneer medische voorzieningen ontbreken en er sprake is van onmenselijk lijden dat vrijwel direct tot de dood leidt. Dit was niet het geval. Ook het beroep op het ontbreken van financiële middelen om zorg te verkrijgen faalde.
Het verzoek tot het horen van de vreemdeling werd eveneens afgewezen omdat het niet aannemelijk was dat dit tot een ander besluit zou leiden. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen zijn uitzetting wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.