Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9360

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
23/6570
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 PwArt. 11 PwArt. 8 EVRMArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging intrekking en beëindiging bijstand wegens motiveringsgebrek en lichter middel beschikbaar

Eiseres ontvangt sinds 2012 bijstand en werd geconfronteerd met een besluit tot intrekking en beëindiging van haar bijstand per januari 2023, gebaseerd op een vermeende weigering van een huisbezoek. Dit huisbezoek volgde op anonieme meldingen en een intern signaal over mogelijke fraude en onjuiste woonsituatie.

De sociaal rechercheur voerde een onderzoek uit, waaronder waarnemingen en een poging tot huisbezoek op 10 januari 2023, waarbij eiseres weigerde medewerking te verlenen en geen 'informed consent' gaf. Verweerder baseerde daarop het besluit tot intrekking en beëindiging van de bijstand.

De rechtbank oordeelt dat voorafgaand aan het huisbezoek voldoende aanwijzingen waren om het onderzoek te rechtvaardigen, maar dat een lichter middel, zoals eerst een gesprek, beschikbaar was en had moeten worden ingezet. Het huisbezoek was daarom niet proportioneel en de weigering daaraan medewerking te verlenen kan niet als grondslag dienen voor het besluit.

Daarnaast is het besluit onvoldoende gemotiveerd omdat het geen rekening houdt met de verklaringen die op dezelfde dag als het huisbezoek zijn afgelegd. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen. Eiseres behoudt haar recht op bijstand en krijgt een proceskostenvergoeding van €3.200 toegekend.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking en beëindiging van de bijstand wordt vernietigd en het primaire besluit herroepen, waardoor eiseres het recht op bijstand behoudt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/6570

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. Z.M. Nasir),
en

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Wijnekus).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de intrekking en beëindiging van de bijstand van eiseres.
1.1.
Met het primaire besluit van 11 januari 2023 heeft verweerder het recht op bijstand ingetrokken per 10 januari 2023 en beëindigd per 11 januari 2023. Met het bestreden besluit van 7 september 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van het betalen van het griffierecht. Dit verzoek is toegewezen.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door de heer [naam 1] (sociaal rechercheur en toezichthouder bij de afdeling Sociaal Domein van de gemeente, hierna: sociaal rechercheur) en de heer [naam 2] .
1.5.
Na sluiting van het onderzoek is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest. De rechtbank heeft het onderzoek heropend ten einde verweerder in de gelegenheid te stellen de rechtbank te informeren over een verslag van het confrontatiegesprek en dit verslag te overleggen.
1.6.
Op 15 april 2025 heeft verweerder dit verslag alsook het verslag van het gesprek met [naam 3] , ( [naam 3] ) en een aanvullend verweer aan de rechtbank overlegd.
1.7.
Eiseres heeft op 2 mei 2025 en aanvullend op 12 juni 2026 gereageerd.
1.8.
Op 7 augustus 2025 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld aan te geven of zij een nadere zitting noodzakelijk achten. Partijen hebben hierop gereageerd en aangegeven geen behoefte te hebben aan een nadere zitting. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Totstandkoming van het besluit

2. Eiseres ontvangt sinds 2 oktober 2012 bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder. Zij heeft drie kinderen die erkend zijn door [naam 3] .
2.1.
Op 4 september 2020, 12 februari 2022 en 5 juli 2022 zijn via een site van de gemeente anonieme meldingen binnengekomen met betrekking tot eiseres. Volgens de meldingen zou eiseres al ruim negen tot tien jaar frauderen met haar uitkering, is zij getrouwd met de vader van haar kinderen, en wonen zij samen. Daarnaast zou zij zwart werken en handelen in softdrugs, goud en nepkleding en zou er sprake zijn van huisbezit in Somalië en Jemen. Tot slot zou eiseres regelmatig naar Engeland gaan om haar driemaandelijkse uitkering op te halen. Naar aanleiding van de meldingen is de sociaal rechercheur een fraudeonderzoek gestart naar de woon- leef, en inkomenssituatie van eiseres en [naam 3] . Naast de anonieme meldingen is er een melding van een medewerkster van gemeente Zoetermeer, afdeling Verhaal en Terugvordering van 5 augustus 2022. Zij heeft geconstateerd dat loonstroken van [naam 3] naar het adres van eiseres gaan.
2.2.
De sociaal rechercheur heeft naar eiseres en [naam 3] dossieronderzoek verricht, waarbij systemen zijn geraadpleegd, heeft bankafschriften opgevraagd en ontvangen over de periode van 1 maart 2022 tot oktober 2022, en heeft samen met collega’s waarnemingen verricht en samen met een collega op 10 januari 2023 geprobeerd een huisbezoek af te leggen. De sociaal rechercheur heeft zijn bevindingen vermeld in een op ambtsbelofte opgesteld rapport van 11 januari 2023.
2.3.
Uit het onderzoek is gebleken dat [naam 3] in de periode 28 september 2021 tot en met 18 juli 2022 voornamelijk heeft ingelogd vanaf hetzelfde IP-adres in Zoetermeer, het uitkeringsadres van eiseres. Na 18 juli 2022 maakte hij geen gebruik meer van de ING-bank en heeft verweerder de inloggegevens niet kunnen nagaan. Waarnemingen zijn verricht in de buurt van het woonadres van eiseres op 12 – 17 en 19 april 2021, op 3, 4, 8 – 14 en 22 – 28 augustus 2022, op 28 september 2022, op 6, 7, 17 en 31 oktober 2022, op 1 november 2022 en op 2 – 7 januari 2023. Bij de waarnemingen op 3 januari 2023 en de dagen daarna is gezien dat auto en woning onveranderd waren. Het licht in de gang brandt en de bovenverdieping is donker.
2.4.
Omdat de waarnemingen deden vermoeden dat [naam 3] zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had, is op 10 januari 2023 onaangekondigd aangebeld bij eiseres en haar gevraagd om medewerking voor het afleggen van het huisbezoek. In het rapport staat dat omstreeks 8.40 uur is aangebeld, dat eiseres de deur heeft geopend, aan haar doel van het bezoek is medegedeeld en gevraagd is of zij wil meewerken aan een huisbezoek. Eiseres heeft volgens het rapport gezegd dat zij niet wilde meewerken omdat haar broer er niet bij kon zijn. Hij was onderweg naar zijn werk. Aan eiseres is een hersteltermijn geboden en de sociaal rechercheur heeft haar medegedeeld dat weigering zou leiden tot beëindiging van de bijstand. Na bedenktijd heeft eiseres wederom geweigerd. Ook weigerde zij het ‘informed consent’ te tekenen. Hierop heeft verweerder het primaire besluit genomen.
2.5.
Op het bezwaar van eiseres heeft de bezwaarschriftencommissie advies uitgebracht en verweerder heeft dit advies in het bestreden besluit overgenomen. Eiseres heeft niet meegewerkt aan het huisbezoek op 10 januari 2023 waardoor verweerder niet heeft kunnen vaststellen of eiseres nog recht op bijstand heeft.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt de intrekking per 10 januari 2023 en beëindiging per 11 januari 2023 aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Wat vindt eiseres?
4. Volgens eiseres had met een lichter middel dan het huisbezoek kunnen worden volstaan waardoor een redelijke grond voor het huisbezoek ontbrak. Zij betwist het huisbezoek te hebben geweigerd. Volgens eiseres was er sprake van een in strijd met het discriminatieverbod uitgevoerd gericht onderzoek ten aanzien van Somalische vrouwen. De bevindingen van het onderzoek moeten volgens eiseres buiten beschouwing worden gelaten.
Wat oordeelt de rechtbank?
5. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Pw is de belanghebbende verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Indien deze medewerkingsverplichting in onvoldoende mate wordt nagekomen en als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Pw, kan de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken.
6. De rechtbank overweegt dat het besluit tot intrekking en beëindiging van bijstand een voor eiseres belastend besluit is. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden hiervoor is voldaan in beginsel op verweerder.
7. Beëindiging of intrekking van de bijstand is niet geoorloofd als punitieve sanctie wegens het niet verlenen van medewerking aan een huisbezoek. Volgens vaste rechtspraak kunnen aan het niet of niet langer meewerken aan een huisbezoek pas gevolgen worden verbonden in de vorm van het beëindigen of intrekken van de bijstand, indien voor dat huisbezoek een redelijke grond bestaat. [1] Een redelijke grond voor een huisbezoek bestaat als voorafgaand aan – dat wil zeggen: voor of uiterlijk bij aanvang van – het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en de bijstandverlenende instantie deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kan verifiëren. [2]
8. Artikel 8, eerste lid, van het EVRM bepaalt verder dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Van een inbreuk op het huisrecht als bedoeld in deze verdragsbepaling is geen sprake als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van de nodige informatie (‘informed consent’). Dit houdt in dat de toestemming van de betrokkene berust op volledige en juiste informatie over de reden en het doel van het huisbezoek en over de gevolgen van het weigeren van toestemming voor de verlening van bijstand. De bewijslast voor het ‘informed consent’ bij het binnentreden in de woning rust op de bijstandverlenende instantie. Dit is vaste rechtspraak. [3]
9. Naar het oordeel van de rechtbank waren er voorafgaand aan het huisbezoek voldoende aanknopingspunten om redelijkerwijs aan de juistheid van de opgegeven woonsituatie van eiseres te twijfelen. Het gaat hierbij om de meldingen (anoniem en van de interne medewerker) alsmede de waarnemingen van de sociaal rechercheurs waarbij de ex-partner veelvuldig is geconstateerd op het adres, of in de directe nabijheid daarvan. In de gerapporteerde waarnemingen staat dat het voertuig van [naam 3] met kenteken [kenteken] zowel in de avond, nacht en ochtend vrijwel iedere keer is waargenomen bij het adres van eiseres. Driemaal is een man waargenomen, gelijkend op [naam 3] , die vroeg in de ochtend tussen 07:00-07:30 uur de woning van eiseres is uitgekomen en in het voertuig met kenteken [kenteken] stapte en wegreed. Eenmaal is een man de woning uitgekomen die in een BMW met Engels kenteken is gestapt en is weggereden naar het bedrijf waarmee – blijkens het onderzoeksrapport – [naam 3] een dienstverband heeft. Uit onderzoek van de bankgegevens is gebleken dat [naam 3] veelal in de omgeving van het adres van eiseres pint en er worden betalingen over en weer gedaan tussen eiseres en [naam 3] .
10. De rechtbank ziet geen grond voor de conclusie dat het onderzoek is gedaan omdat eiseres vrouw en van Somalische afkomst is. Uit het onderzoeksrapport is voldoende aannemelijk geworden dat aanleiding voor onderzoek de anonieme meldingen waren. Wat eiseres heeft aangevoerd over discriminatie slaagt dan ook niet.
11. Aan de orde is de vraag of in dit geval een lichter middel dan een huisbezoek aangewezen was. Dat is het geval als eerst een gesprek kan worden gevoerd en dan – zo nodig aansluitend – wordt bezien of een meer ingrijpend middel, zoals een huisbezoek nodig is. Daarvan is hier sprake. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.
11.1
In het rapport staat dat, nadat was geprobeerd een huisbezoek af te leggen, “tenslotte” eiseres met een brief is uitgenodigd voor een kantoorgesprek over het recht op uitkering over de periode voorafgaand aan het huisbezoek en dat eiseres toezegde naar het gesprek te zullen komen. De brief bevindt zich niet bij de stukken.
11.2.
Ter zitting is gebleken dat de sociaal rechercheurs op dezelfde dag als het huisbezoek, dus op 10 januari 2022, omstreeks 12.10 uur op het stadskantoor een verklaring van [naam 3] hebben opgenomen in het kader van uitkering van eiseres. Om 12.30 uur is een verklaring van eiseres opgenomen, in het bijzijn van [naam 3] .
11.3.
De rechtbank begrijpt de gang van zaken aldus, dat op 10 januari 2023 eerst is geprobeerd een huisbezoek af te leggen en eiseres vervolgens is uitgenodigd om op diezelfde dag een verklaring af te leggen.
11.4.
Ter zitting is namens verweerder naar voren gebracht dat naar aanleiding van de gesprekken met eiseres en [naam 3] is besloten geen bijstand terug te vorderen. Ter zitting heeft de sociaal rechercheur namens verweerder desgevraagd verklaard dat als hij terugkijkt en als eerst met eiseres was gesproken, zoals inmiddels de gebruikelijke werkwijze is, waarschijnlijk was afgezien van een huisbezoek.
11.5.
Gelet op het even overwogene komt de rechtbank tot het oordeel dat in dit geval een lichter middel ter beschikking stond dan (direct) een huisbezoek. Dit betekent dat de bevindingen van het huisbezoek, waaronder de gestelde weigering, niet aan het besluit ten grondslag kunnen worden gelegd. Of daadwerkelijk sprake was van weigering -partijen verschillen daarover van mening- is een vraag die niet meer hoeft te worden beantwoord. Nu de intrekking en beëindiging zijn gebaseerd op het niet kunnen vaststellen van het recht op bijstand omdat het huisbezoek was geweigerd, kleeft aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek.
12. Een motiveringsgebrek kleeft aan het bestreden besluit ook omdat daarbij geen acht is geslagen op de informatie uit de gesprekken op het stadskantoor op 10 januari 2023, terwijl die informatie wel bekend was op het moment dat het bestreden besluit werd genomen en zelfs al toen het primaire besluit werd genomen.
13. Dit betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
15. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing. De rechtbank herroept het primaire besluit van 11 januari 2023. Hiertoe besluit de rechtbank omdat verweerder op basis van de gevoerde gesprekken op 10 januari 2023 geen aanleiding heeft gezien om de bijstand in te trekken en terug te vorderen over de periode vóór 10 januari 2023. Niet is gebleken dat de omstandigheden van eiseres daarna tot en met 11 januari 2023 zijn gewijzigd. Door het tijdsverloop is het bovendien niet aannemelijk dat nader onderzoek door verweerder (nog) een toereikende grondslag zal opleveren. Dit betekent dat eiseres het recht op bijstand per 10 januari 2023 behoudt.
16. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Eiseres heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200,-. Omdat eiseres is vrijgesteld van het betalen van het griffierecht hoeft verweerder geen griffierecht aan haar te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 7 september 2023;
- herroept het besluit van 11 januari 2023;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, rechter, in aanwezigheid van
mr.E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de CRvB van 12 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3245.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 5 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2348.
3.Zie de uitspraak van de CRvB van 24 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4064.