Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9297

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
NL26.5489
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 17 DublinverordeningArt. 13 DublinverordeningArt. 18 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Spanje als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt tussen Nederland en Spanje, beide partijen bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Spanje zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen of dat terugkeer tot een situatie leidt die in strijd is met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro van de grondrechten van de EU.

Ook is niet gebleken van structurele tekortkomingen in de Spaanse asielprocedure of opvangvoorzieningen. De garanties van de Spaanse autoriteiten en de mogelijkheid tot klachten maken dat het beroep ongegrond is. De rechtbank wijst het beroep af en veroordeelt eiser niet in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5489

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. D. de Heuvel),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Spanje daarvoor verantwoordelijk is.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Beoordeling door de rechtbank

Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1998 en de Algerijnse nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 20 november 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
In het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Spanje daarvoor verantwoordelijk is. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 13 oktober 2024 op illegale wijze het Dublingrondgebied is ingereisd via Spanje. Eiser heeft op 14 juli 2025 een asielaanvraag ingediend in Zwitserland. De Zwitserse autoriteiten zijn op 8 december 2025 gevraagd om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening. De Zwitserse autoriteiten hebben dit verzoek op 10 december 2025 afgewezen omdat zij vastgesteld hebben dat Spanje verantwoordelijk is. Spanje heeft op 27 januari 2026 het verzoek van Nederland om eiser terug te nemen aanvaard op grond van artikel 13 van Pro de Dublinverordening.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat ten aanzien van Spanje niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Eiser vreest bij terugkeer naar Spanje op straat te belanden. Hierdoor loopt eiser een reëel risico op behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. Ook persisteert eiser in de eerder in de procedure ingenomen standpunten ten aanzien van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Verweerder komt ten onrechte tot een andere conclusie.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet is in geschil dat Spanje de verantwoordelijke lidstaat is. In beginsel mag verweerder ten aanzien van Spanje, dat evenals Nederland partij is bij het EVRM [1] en het Vluchtelingenverdrag, [2] uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is bevestigd in de uitspraken van de Afdeling [3] van 24 juni 2024, [4] 3 februari 2025 [5] en 25 november 2025. [6] Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet van kan worden uitgegaan. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de Spaanse autoriteiten hun verdragsverplichtingen jegens hem niet zullen nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. [7] Ook is niet gebleken van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Verder zijn eisers stellingen niet onderbouwd. Bovendien hebben de Spaanse autoriteiten met de aanvaarding van het overnameverzoek gegarandeerd dat zij eisers asielaanvraag in behandeling zullen nemen met inachtneming van de Europese richtlijnen en internationale verdragen. Indien eiser in Spanje toch wordt geconfronteerd met tekortkomingen in de opvang, medische voorzieningen of rechtsbescherming, kan hij hierover klagen bij de Spaanse (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen bij de Spaanse autoriteiten voor eiser niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.
5. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de behandeling van eisers asielaanvraag aan zich te trekken. Eiser heeft verder geen bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd, anders dan de omstandigheden die zijn betrokken bij de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, die maken dat de overdracht aan Spanje van onevenredige hardheid getuigt.
6. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 13 april 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie