ECLI:NL:RBDHA:2026:9288

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
NL25.29000_29004
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.L.M. Steinebach - de Wit
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a VwArt. 3.106a VbVreemdelingenwet 2000Vreemdelingenbesluit 2000Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring asielaanvragen wegens internationale bescherming in Spanje, belangen kind onvoldoende meegewogen

Eisers, een moeder en haar minderjarige kinderen van Afghaanse nationaliteit, vroegen asiel aan in Nederland nadat zij via Spanje waren gereisd. De minister verklaarde hun aanvragen niet-ontvankelijk omdat zij internationale bescherming genieten in Spanje, gebaseerd op informatie van Spaanse autoriteiten en bewijsstukken in het dossier.

Eisers betwistten deze beschermingsstatus en voerden aan dat zij niet in Spanje waren geweest en dat het land niet veilig voor hen is, mede vanwege risico's op represailles en eerwraak. De rechtbank oordeelde dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij geen bescherming in Spanje genieten, mede omdat de minister meerdere keren bevestiging van de Spaanse autoriteiten ontving.

Wel stelde de rechtbank vast dat de minister bij zijn besluit onvoldoende rekening had gehouden met de belangen van het minderjarige kind, ondanks dat eisers hier uitgebreid op hadden gewezen met ondersteunende verklaringen. Dit leidde tot een motiveringsgebrek in de besluitvorming.

De rechtbank verklaarde de beroepen gegrond, vernietigde de bestreden besluiten en droeg de minister op nieuwe besluiten te nemen waarbij de belangen van het kind worden betrokken. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eisers.

Uitkomst: De beroepen worden gegrond verklaard en de bestreden besluiten vernietigd wegens onvoldoende belangenafweging van het kind.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.29000 en NL25.29004

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiseres 1] , mede namens haar minderjarige zoon [eiser] ,

v-nummers: [v-nummer 1] en [v-nummer 2] ,
en [eiseres 2],
v-nummer: [v-nummer 3]
samen genoemd eisers,
(gemachtigde: mr. J-A. Nijland),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen gegrond zijn. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. [eiseres 1] (hierna: eiseres) stelt te zijn geboren op [geboortedatum 1] 1980 en [eiseres 2] (hierna: [eiseres 2] ) stelt te zijn geboren op [geboortedatum 2] 2007. Zij stellen van Afghaanse nationaliteit te zijn. De minister heeft met de bestreden besluiten van
25 juni 2025 deze aanvragen in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Op 8 maart 2026 hebben zij aanvullende gronden van beroep ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 18 maart 2026 samen met de verzoeken om een voorlopige voorziening hangende deze beroepen [2] , op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, [naam] als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Wat voorafging aan de bestreden besluiten
3. Eiseres is eind september 2024 met haar twee kinderen [eiseres 2] en [eiser] uit Afghanistan vertrokken. Zij hadden een visum voor Spanje dat geldig was van 15 september 2024 tot 28 december 2024 en zijn daarmee naar Spanje gereisd. In Spanje woont een andere zoon van eiseres. Eisers hebben een nacht bij hem gelogeerd en zijn vervolgens doorgereisd naar Nederland. In Spanje woont ook de vader van [eiseres 2] en [eiser] . Dit is de ex-partner van eiseres. Zij zijn sinds het najaar van 2023 gescheiden.
3.1.
Eisers hebben op 8 november 2024 in Nederland asiel aangevraagd. Uit informatie van de Spaanse autoriteiten is gebleken dat eisers op 19 maart 2024 een verblijfsvergunning op grond van internationale bescherming hebben verkregen vanuit de Spaanse diplomatieke vertegenwoordiging in Pakistan.
De bestreden besluiten
4. De minister heeft de asielverzoeken van eisers met de bestreden besluiten van
25 juni 2025 niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw omdat eisers internationale bescherming genieten in Spanje.
Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de minister een drietal stukken opgenomen in het dossier. Het gaat om een claimakkoord van 7 maart 2025, de ‘memo internationale bescherming’ van 20 maart 2025 en het ‘resultaat onderzoek Spanje’ van 23 juni 2025.
4.1.
Volgens de minister hebben eisers een zodanige band met Spanje dat het voor hen redelijk is om daar naar toe te gaan. [3] De minister gaat er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit dat Spanje de verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van Pro het EVRM [4] en artikel 3 van Pro het Antifolterverdrag [5] naleeft. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat Spanje deze verplichtingen in hun geval niet nakomt. Bij eventuele problemen kunnen eisers zich wenden tot de (hogere) Italiaanse autoriteiten of daarvoor aangewezen instanties.
Waarom zijn eisers het hier niet mee eens
5. Eisers betwisten dat zij in Spanje internationale bescherming hebben en zij vinden dat de minister dit onvoldoende heeft onderbouwd. Volgens eisers kan het niet kloppen dat zij op 19 maart 2024 in Pakistan een verblijfsvergunning hebben gekregen voor internationale bescherming in Spanje, want uit hun paspoorten blijkt dat zij op
19 maart 2024 in Afghanistan waren en vóór 1 oktober 2024 nooit in Spanje zijn geweest. Eisers zijn met een visum type-D naar Spanje gereisd en zo’n visum wordt afgegeven voorafgaand aan een verblijfsvergunning. Bovendien is Eurodac geraadpleegd en daaruit is geen registratie van een status in Spanje naar voren gekomen.
Eisers zijn zelf beperkt in de mogelijkheid om tegenbewijs te leveren. Ze hebben contact opgenomen met de Spaanse autoriteiten, maar ze hebben hun originele paspoorten nodig om een verklaringen te kunnen opvragen.
Eisers vinden dat onder deze omstandigheden het onderzoeksmemo van de minister onvoldoende bewijs vormt dat zij internationale bescherming genieten in Spanje en dus heeft de minister volgens eisers niet aan de onderzoeksplicht voldaan. De onderzoeksmemo is volgens eisers bovendien te summier, want het is onduidelijk hoe het onderzoek is uitgevoerd en waarop de conclusie wordt gebaseerd.
6. Verder stellen eisers dat Spanje voor hen niet veilig en geschikt is vanwege het risico op represailles en eerwraak door de ex-partner van eiseres. Eiseres is een alleenstaande vrouw en eisers zijn in dan ook bijzonder kwetsbaar. Eisers verwijzen naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen van 12 november 2024. [6] Het is volgens eisers niet relevant dat zij in Spanje geen bescherming hebben gevraagd van de autoriteiten want zij hadden niet de intentie om in Spanje te verblijven. Eisers hebben ook geen band met Spanje want zij zijn er minder dan 24 uur geweest.
7. Tot slot stellen eisers dat er bijzondere omstandigheden zijn waarom zij in Nederland willen verblijven. Er wonen familieleden van eisers in Nederland, waardoor zij zich hier veilig voelen en sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Eisers menen verder dat de belangen van de kinderen onvoldoende in het bestreden besluit betrokken zijn.
Het oordeel van de rechtbank
8. De minister heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat eisers in Spanje internationale bescherming genieten een drietal bewijsstukken opgenomen in het dossier.
Ter zitting is gebleken dat de minister ook nog over een stuk van 9 december 2025 beschikt, waaruit ook zou blijken dat eisers in Spanje internationale bescherming genieten. Dit stuk zit niet in het dossier en kan de rechtbank daarom niet meenemen in haar beoordeling.
Hoewel het zorgvuldig was geweest als ook dit stuk onderdeel van het dossier was geweest, concludeert de rechtbank dat al op basis van de drie bewijsstukken die wel in het dossier zitten duidelijk wordt dat de Spaanse autoriteiten meermaals hebben aangeven dat eisers op 19 maart 2024 een verblijfsvergunning op grond van internationale bescherming hebben verkregen vanuit de Spaanse diplomatieke vertegenwoordiging in Pakistan.
Nadat op 7 en 20 maart 2025 al was gebleken dat eisers volgens de Spaanse autoriteiten in Spanje internationale bescherming genieten, heeft de minister, zo blijk uit het ‘resultaat onderzoek Spanje’, de liaison ambtenaar in Madrid contact laten opnemen met de Spaanse autoriteiten om navraag te doen naar het verblijfsrecht van eisers in Spanje. Ook uit dit onderzoek is gebleken dat eisers volgens de Spaanse autoriteiten in Spanje internationale bescherming genieten.
9. Eisers hebben verschillende punten aangedragen waaruit volgens hen volgt dat het niet kan kloppen dat zij sinds 19 maart 2024 een verblijfsvergunning hebben in Spanje, welke zou zijn verkregen vanuit de Spaanse diplomatieke vertegenwoordiging in Pakistan.
Zo stellen eisers dat uit hun paspoorten blijkt dat zij op 19 maart 2024 niet in Pakistan maar in Afghanistan waren. De rechtbank stelt vast dat uit de stempels in de paspoorten van eisers wel blijkt dat zij kort voorafgaand aan deze datum buiten Afghanistan zijn geweest.
Uit de paspoorten van eiseres en [eiser] blijkt namelijk dat zij van 6 februari 2024 tot 19 maart 2024 buiten Afghanistan zijn geweest. [7] Uit het paspoort van [eiseres 2] blijkt dat zij van 8 september 2024 tot 9 maart 2024 in Pakistan is geweest. [8] Zoals de minister ter zitting terecht heeft opgemerkt, hoeft de verblijfsvergunning niet op 19 maart 2024 in Pakistan te zijn aangevraagd, maar is het juist aannemelijk dat de aanvraag eerder is ingediend en dat de Spaanse autoriteiten een aantal dagen verwerkingstijd nodig hebben gehad. Dat eisers op
19 maart 2024 niet in Pakistan waren, betekent dus niet dat aan hen op die datum geen verblijfsvergunning kan zijn verleend. Dat [eiseres 2] in de periode kort voorafgaand aan
19 maart 2024 aantoonbaar in Pakistan was, en eiseres en [eiser] in deze periode aantoonbaar buiten Afghanistan zijn geweest, past juist binnen de informatie die vanuit de Spaanse autoriteiten is verkregen. Bovendien hadden eisers ook een connectie met Spanje, nu de vader van [eiseres 2] en [eiser] en een van de zoons van eiseres in Spanje wonen.
Omdat uit de Spaanse informatie blijkt dat de verblijfsvergunning is aangevraagd én verkregen vanuit de Spaanse diplomatieke vertegenwoordiging in Pakistan, maken eisers met hun stelling dat zij vóór 1 oktober 2024 nooit in Spanje zijn geweest, ook niet aannemelijk dat zij daarom in dit land geen subsidiaire bescherming zouden kunnen hebben.
Dat eisers ná 19 maart 2024 nog een Spaans visum hebben verkregen en hiermee naar Spanje zijn gereisd, toont naar het oordeel van de rechtbank ook niet aan dat eisers in Spanje geen verblijfsvergunning kunnen hebben. Op alle drie de visa staat immers ‘residencia’, wat verwijst naar de status van verblijf in Spanje. [9]
Tot slot betekent het feit dat eisers niet terug zijn te vinden in Eurodac, niet dat moet worden aangenomen dat zij in Spanje geen verblijfsvergunning hebben. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting uitgelegd dat vingerafdrukken worden afgenomen op het moment dat een vreemdeling een land binnenkomt en daar een asielaanvraag doet. Nu eisers geen asielaanvraag hebben ingediend bij hun aankomst in Spanje en dus ook geen vingerafdrukken zijn afgenomen, is het ook verklaarbaar dat eisers niet terug te vinden zijn in Eurodac.
10. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij in Spanje geen internationale beschermingsstatus hebben. Dat eisers beperkt zijn in de mogelijkheid om tegenbewijs te leveren maakt dit niet anders. Hier tegenover staat dat de minister in ieder geval tot drie keer toe van de Spaanse autoriteiten hetzelfde antwoord heeft gekregen over de internationale beschermingsstatus van eisers. De minister is dan ook terecht van de informatie uitgegaan dat eisers op 19 maart 2024 een verblijfsvergunning op grond van internationale bescherming hebben verkregen vanuit de Spaanse diplomatieke vertegenwoordiging in Pakistan. De minister heeft dit standpunt voldoende gemotiveerd onderbouwd en heeft dan ook aan zijn onderzoeksplicht voldaan.
11. In artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb [10] staat dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd slechts niet-ontvankelijk wordt verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, van de Vw, als de vreemdeling een zodanige band heeft met het andere land dat het voor hem redelijk zou zijn om naar dat land te gaan. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [11] is alleen al omdat een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet, sprake van een zodanige band met die lidstaat dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan. [12] Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt echter ook dat wanneer de minister een besluit neemt op een asielaanvraag van een minderjarige vreemdeling die internationale bescherming geniet in een andere lidstaat, hij bij zijn beoordeling de belangen van het kind moet betrekken. [13]
12. De rechtbank stelt vast dat eisers in de zienswijze, de gronden van beroep en de aanvullende gronden van beroep zijn ingegaan op de belangen van het kind. Met name in de aanvullende gronden van beroep hebben eisers op dit punt een uitgebreid standpunt ingenomen en ook meerdere verklaringen overgelegd van onder meer leerkrachten.
De rechtbank stelt vast dat uit de bestreden besluiten niet blijkt dat en hoe de belangen van het kind zijn meegewogen. De aanvullende gronden van beroep zijn op 8 maart 2026 ingediend en de minister heeft dus voldoende tijd gehad om hier ter zitting op te kunnen reageren. De reactie die de gemachtigde van de minister op de zitting heeft gegeven is naar het oordeel van de rechtbank echter te algemeen en hierbij is onvoldoende ingegaan op het specifieke geval van eisers. Het enkele standpunt van de gemachtigde van de minister dat het opbouwen van een sociaal leven in Nederland nu eenmaal inherent is aan een verblijfsprocedure doet geen recht aan wat eisers hierover met name in de aanvullende gronden van beroep hebben aangevoerd.
De rechtbank is van oordeel dat de minister bij zijn beslissing op de asielaanvragen niet alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken en afgewogen, nu uit de besluitvorming onvoldoende blijkt dat rekening is gehouden met de fundamentele belangen van het kind. De bestreden besluiten bevatten daarom een motiveringsgebrek.

Conclusie en gevolgen

13. Gelet op wat hiervoor onder rechtsoverweging 12 is overwogen, zijn de beroepen gegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten worden vernietigd. De minister moet nieuwe besluiten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
14. Omdat de beroepen op grond van het voorgaande al gegrond zijn, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.
15. Eisers krijgen een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Omdat de rechtbank de zaken als samenhangend beschouwt in de zin van artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht, blijft de proceskostenveroordeling beperkt tot het bedrag wat in één zaak zou zijn toegekend. De vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt de bestreden besluiten van 25 juni 2025;
  • draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen op de aanvragen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M. Timmerman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zaak NL25.29001 en NL25.29005.
3.Artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, in samenhang met artikel 3.106a, tweede en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijk en onterende behandeling of bestraffing.
7.Zie pagina 45 van het paspoort van eiseres en pagina 45 van het paspoort van [eiser] .
8.Zie pagina 4 en 5 van het paspoort van [eiseres 2] .
9.Zie pagina 7 paspoort eiseres, pagina 9 paspoort [eiser] en pagina 9 paspoort [eiseres 2] .
10.Vreemdelingenbesluit 2000.
11.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
12.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:442, onder 3.
13.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1270