Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9245

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
NL26.18152
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 106 VwArt. 5.1b VbVreemdelingenwet 2000Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring en schadevergoeding

De minister van Asiel en Migratie legde op 31 maart 2026 een maatregel van vreemdelingenbewaring op aan eiser op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet, gebaseerd op de a- en b-grond. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 9 april 2026 opgeheven nadat eiser zijn asielaanvraag introk.

De rechtbank behandelde het beroep op 10 april 2026 via telehoor en beoordeelde of de bewaring onrechtmatig was geweest en of schadevergoeding toekwam. De minister had voldoende gemotiveerd dat de bewaring noodzakelijk was vanwege het risico op onttrekking aan toezicht en het belang van het vaststellen van identiteit en nationaliteit. Eiser betwistte de gronden niet, noch het risico op onttrekking.

De rechtbank oordeelde dat de maatregel zorgvuldig tot stand was gekomen, dat een lichter middel niet passend was en dat de minister voortvarend had gehandeld. De persoonlijke en medische omstandigheden van eiser, waaronder depressiviteit, waren onvoldoende onderbouwd om de bewaring onevenredig te achten. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18152

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Inleiding

1. De minister heeft op 31 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring op beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft op 9 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser zijn asielaanvraag op 8 april 2026 heeft ingetrokken.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De minister heeft de maatregel gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a (a-grond) en b (b-grond), van de Vw. Als aan de daarvoor gestelde eisen is voldaan, is elk van deze gronden afzonderlijk voldoende om de maatregel te kunnen dragen. In dit verband stelt de minister zich op het standpunt dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (a-grond) en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van eisers asielaanvraag, wegens het risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen (b-grond). De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
(lichte gronden)4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb [2] heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
3.2.
Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Is de maatregel onzorgvuldig tot stand gekomen?
4. Eiser voert aan dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door bij het tekenen van de asielaanvraag aan eiser te vragen of hij kan en wil terugkeren naar Marokko. Eiser stelt dat hem in het kader van artikel 59b van de Vw dergelijke vragen niet mochten worden voorgehouden. Verder stelt eiser dat hem in de maatregel ten onrechte is tegengeworpen dat hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert, zoals is aangekruist in de maatregel.
4.1.
De rechtbank is, met de minister, van oordeel dat het enkele feit dat aan eiser is gevraagd of hij kan en wil terugkeren niet maakt dat de maatregel onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het staat eiser vrij daarop te antwoorden.
4.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht. In dit geval heeft de minister de zware gronden als bedoeld in artikel 5.1b, derde lid, onder a tot en met e, van het Vb aan de maatregel ten grondslag gelegd. Uit de uitspraak van de Afdeling [3] bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2020 [4] volgt dat de minister bij deze zware gronden kan volstaan met een toelichting die laat zien dat deze gronden zich feitelijk voordoen. De minister hoeft in dat geval geen nadere toelichting op het onttrekkingsrisico te geven. De aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden zijn ook als zodanig niet betwist. Uit deze onbetwiste feitelijke gronden vloeit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Ook dat heeft eiser niet betwist. De gronden en het daaruit voortvloeiende risico op onttrekking zijn voldoende om de maatregel op te kunnen leggen. Nu eiser deze tegenwerping en de gronden die leiden tot deze tegenwerping niet heeft betwist kan eisers grond ten aanzien van het ontwijken of belemmeren van de uitzetting alleen daarom al niet leiden tot het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. Eisers grond behoeft daarom geen verdere bespreking.
Voortraject
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
6. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel terecht op basis van de a-grond van artikel 59b van de Vw is opgelegd. Voor de a-grond van artikel 59b van de Vw is vereist dat de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee bewaringsgronden voordoen. Eiser heeft dit niet betwist.
6.1.
De rechtbank is bovendien van oordeel dat de maatregel terecht op basis van de b-grond van artikel 59b van de Vw is opgelegd. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat met een deugdelijke motivering van het bestaan van een risico op onttrekking aan het toezicht– door middel van de in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb - ook gegeven is dat een maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat anders die gegevens niet zouden kunnen worden verkregen. [5] Ook dit heeft eiser niet betwist.
Gronden
7. De zware en lichte gronden zijn door eiser niet betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang bezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Er bestaat dan ook voldoende grond voor het standpunt van de minister dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit verband acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat daarmee het risico op onttrekking is gegeven. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen of medische omstandigheden van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om te volstaan met een lichter middel dan een maatregel van bewaring. De enkele stelling van eiser dat hij down en depressief is en dat dit is verergerd sinds zijn verblijf in vreemdelingenbewaring, is hiervoor onvoldoende. Eiser heeft dit niet nader onderbouwd. Bovendien zijn de psychische en medische omstandigheden van eiser kenbaar gemaakt in de maatregel en voldoende bij de beoordeling betrokken. Eiser is door de minister gewezen op het feit dat in de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg aanwezig is en dat bij medische dan wel psychische problematiek daar behandeling kan worden aangevraagd, gestart of voortgezet. In dat verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra als gelijkwaardig kan worden aangemerkt aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.
Voortvarendheid
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister, tot aan de opheffing van de maatregel, voldoende voortvarend heeft gehandeld ten aanzien van de asielaanvraag van eiser. De minister had namelijk op 9 april 2026 een nader gehoor gepland.

Conclusie en gevolgen

10. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [6]
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van mr.
S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4011.
6.Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).