Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9210

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
AWB - 24 _ 6358, 24_6359, 24_6360, 24_6361, 24_6364 en 24_6365
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 EPArt. 3.119a Wet IB 2001Art. 3.123a Wet IB 2001Art. 6.1 Wet IB 2001Art. 6.17 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroepen tegen aanslagen IB/PVV 2015-2020 en verzuimboete

Eiser heeft beroep ingesteld tegen aanslagen IB/PVV over de jaren 2015 tot en met 2020 en een opgelegde verzuimboete. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen correct zijn vastgesteld en of de verzuimboete terecht is opgelegd.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem opgevoerde ondernemingsverliezen terecht zijn erkend, dat de situering van vermogen en schulden in box 1 en box 3 correct is toegepast, en dat de verzuimboete terecht is opgelegd wegens het niet tijdig doen van aangifte op de voorgeschreven wijze. Tevens wordt het beroep op strijdigheid met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM verworpen wegens gebrek aan bewijs van werkelijk rendement.

Verder wijst de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat eiser de procedure gebruikt voor een ander doel dan de belastinggeschillen zelf. De beroepen worden ongegrond verklaard en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van verweerder.

Uitkomst: De beroepen tegen de aanslagen IB/PVV 2015-2020 en de verzuimboete worden ongegrond verklaard en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 24/6358, SGR 24/6359, SGR 24/6360, SGR 24/6361, SGR 24/6364 en SGR 24/6365

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor de jaren 2015 tot en met 2020 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd (de aanslagen). Daarbij heeft hij belastingrente in rekening gebracht. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag IB/PVV 2015 heeft verweerder een verzuimboete opgelegd (de verzuimboete).
Verweerder heeft bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 20 juni 2024 [1] en 28 juni 2024 [2] de aanslagen IB/PVV 2015 tot en met 2020 verminderd.
Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2025.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn voormalige echtgenote [naam 1] (A) die in zijn zaken door hem als gemachtigde is aangewezen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] .
De zaken zijn ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaken met zaaknummers 24/6348, 24/6351, 24/6352, 24/6350, 24/6347 en 24/6349 van A.

Overwegingen

Feiten
1. Eiser was tot en met 2019 gehuwd met A. Op [dag 1] 2019 is het verzoek van eiser en A tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank, dat op [dag 2] 2020 bij de burgerlijke stand is ingeschreven.
2. Eiser is eigenaar van de woning [adres 1] en staat op dat adres ingeschreven. Deze woning is gefinancierd met leningen van Delta Lloyd (thans, na fusie, Nationale Nederlanden; hierna steeds Delta Lloyd) en van de kinderen van eiser en A (familielening I).
A is eigenaar van de woning [adres 2] en staat op dat adres ingeschreven. Deze woning is gefinancierd met een lening van de kinderen van eiser en A (familielening II).
3. Eiser staat sinds 1 november 1978 met een eenmanszaak ingeschreven in het handelsregister in de categorieën organisatieadviesbureaus, advisering op het gebied van management en bedrijfsvoering, bedrijfsopleiding en training en overige specialistische zakelijke dienstverlening onder de handsnamen “ [bedrijf 1] ”, “ [bedrijf 2] ” en “ [bedrijf 3] ”, waaraan is per 1 januari 2013 de handelsnaam “ [bedrijf 4] )” is toegevoegd (de eenmanszaak).
4. Per 1 januari 1991 staan eiser en A met een vennootschap onder firma in het handelsregister ingeschreven in de categorie teelt van snijbloemen en snijheesters onder de handelsnaam “ [bedrijf 5] ” (Vof T).
Voorts staan eiser en A met ingang van 1 januari 2006 met een vennootschap onder firma ingeschreven in het handelsregister in de categorie rechtskundige adviesbureaus en overige zakelijke dienstverlening onder de handelsnaam “ [bedrijf 6] )” (Vof S).
5. A staat sinds 1 februari 1982 met een eenmanszaak onder de handelsnaam “ [bedrijf 7] ” (K) ingeschreven in het handelsregister in de categorieën belastingconsulenten en organisatie-adviesbureaus. K is gericht op het verzorgen van aangiften inkomstenbelasting en het begeleiden van bezwaar- en beroepsprocedures. Eiser heeft een beperkte volmacht om onder de naam K namens A handelingen te verrichten in het kader van deze onderneming. Uit dien hoofde is hij in de loop van de jaren veelvuldig bij deze rechtbank verschenen als substituut-gemachtigde in belastingprocedures van derden.
6. Eiser heeft voor de jaren 2015 tot en met 2020 aangifte gedaan naar de navolgende belastbare bedragen.
Belastingjaar
aangegeven bel. bedrag
2015
-/- € 166.632
2016
-/- € 48.571
2017
-/- € 50.195
2018
-/- € 100.451
2019
-/- € 12.083
2020
€ 256
7. Verweerder heeft voor de jaren 2015 tot en met 2020 aanslagen aan eiser opgelegd tot de navolgende bedragen aan verschuldigde IB/PVV:
belastingjaar
aanslag
2015
€ 5.028
2016
€ 3.873
2017
€ 4.002
2018
€ 4.742
2019
€ 2.623
2020
€ 1.367
Gelijktijdig met het opleggen van de aanslag voor het jaar 2015 heeft verweerder een verzuimboete van € 369 aan eiser opgelegd.
8. Bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar heeft verweerder de aanslagen 2015 tot en met 2020 verminderd tot de volgende bedragen:
Belastingjaar
nader vastgestelde aanslag
2015
€ 4.693
2016
€ 1.878
2017
€ 1.900
2018
€ 2.171
2019
€ 2.384
2020
€ 1.020
Verweerder heeft de verzuimboete bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
9. De in eerdere jaren aan eiser opgelegde aanslagen IB/PVV hebben tot de navolgende rechtsgangen geleid:
jaren
Rechtbank
Gerechtshof
Hoge Raad
2001-2003
ecli:nl:rbdha:2015:7712
ecli:nl:ghdha:2017:1268
ecli:nl:hr:2018:410
2005-2007
ecli:nl:rbdha:2015:7699
ecli:nl:ghdha:2017:1269
ecli:nl:hr:2018:409
2008-2012
ecli:nl:rbdha:2020:2345
ecli:nl:ghdha:2021:546
ecli:nl:hr:2023:701
2013-2014
ecli:nl:rbdha:2021:8787
ecli:nl:ghdha:2022:1745
ecli:nl:hr:2024:725

Geschil

10. In geschil is of de aanslagen naar de juiste bedragen zijn opgelegd en of de verzuimboete terecht is. Ter zitting is komen vast te staan dat niet langer in geschil is dat de aanslagen en de verzuimboete binnen de daarvoor geldende termijn zijn opgelegd.
11. Eiser stelt zich op het standpunt dat de aanslagen tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Hij stelt daartoe dat verweerder het inkomen uit werk en woning op te hoge bedragen heeft vastgesteld doordat hij ten onrechte de door eiser opgevoerde verliezen uit onderneming niet in aanmerking heeft genomen, en dat het inkomen uit sparen en beleggen steeds te hoog is vastgesteld doordat verweerder ten onrechte:
- een bedrag van € 200.000 aan belegd vermogen in box 3 en niet in box 1 heeft gesitueerd;
- de hypotheekschuld bij Delta Lloyd en de familieleningen 1 en 2 in plaats van in box 1 in box 3 heeft gesitueerd;
- de effectenportefeuille die tot verdere zekerheid aan Delta Lloyd in pand is gegeven tot het box 3-vermogen heeft gerekend;
- en verder dat de heffing in box 3 te zijnen aanzien strijdig is met het door artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM (artikel 1 EP Pro) beschermde recht van eigendom.
Voorts stel eiser zich op het standpunt dat verweerder de persoonsgebonden aftrek (PGA) op een te laag bedrag heeft vastgesteld.
Eiser maakt aanspraak op een vergoeding ter zake van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase.
Verder stelt eiser dat de verzuimboete ten onrechte is opgelegd.
Daarnaast stelt eiser dat verweerder bij het opleggen van de aanslagen en boete, alsmede bij de behandeling van de bezwaarschriften gehandeld heeft in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Tot slot maakt eiser aanspraak op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van een redelijke termijn voor afdoening van het geschil (ISV).
12. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat de beroepen van eiser niet-ontvankelijk moeten worden verklaard wegens misbruik van recht. Subsidiair stelt hij dat de aanslagen niet naar te hoge bedragen zijn opgelegd, wat volgens hem beoordeeld moet worden met toepassing van de zogenaamde omkering en verzwaring van de bewijslast. Volgens hem is niet professionele rechtsbijstand verleend. Verder meent hij dat de verzuimboete terecht is opgelegd en weerspreekt hij enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur te hebben veronachtzaamd.
Beoordeling van het geschil
Ontvankelijkheid
13. Verweerder stelt dat de beroepen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard op de grond dat eiser met het voeren van de onderhavige procedure misbruik maakt van recht. Ter onderbouwing van het door hem gestelde rechtsmisbruik stelt hij dat eiser procedeert tegen beter weten in; dat hij de door verweerder verzocht informatie steeds niet dan wel – afhankelijk van hoe het hem uitkomt – net op tijd verstrekt; dat hij ook overigens aanstuurt op nodeloze werkbelasting van verweerder, onder andere met onredelijk breedvoerige betogen en hoeveelheden stukken die veelal niet relevant blijken te zijn; en dat zijn bejegening van medewerkers van verweerder de grenzen van het betamelijke overschrijdt.
14. Met niet-ontvankelijkverklaring wordt de belanghebbende de facto het recht op toegang tot de rechter ontzegd. Daarom kan niet-ontvankelijkheid om reden van rechtsmisbruik alleen volgen bij zwaarwichtige redenen, en alleen als voldoende zeker is dat daadwerkelijk misbruik van recht wordt gemaakt. [3] Dat brengt mee, althans in een geval als het onderhavige, dat niet van een onderzoek ten gronde kan worden afgezien.
Voorts bestaat, naar verweerder ter zitting heeft beaamd, niet enig verschil in de materiële uitwerking tussen niet-ontvankelijkheid en ongegrondverklaring van de beroepen.
15. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet geraden de beroepen niet-ontvankelijk te verklaren. Zij zal hetgeen verweerder omtrent rechtsmisbruik naar voren heeft gebracht betrekken bij haar beoordeling van de aanspraak die eiser maakt op ISV.
Ondernemingsverliezen
16. Eiser stelt verlies uit onderneming te hebben geleden uit hoofde van zijn eenmanszaak en zijn deelname aan Vof T en Vof S. Verweerder aanvaardt die verliezen niet om reden dat volgens hem niet aan de broncriteria wordt voldaan.
17. Ingevolge vaste jurisprudentie gelden drie vereisten waaraan cumulatief moet worden voldaan om een bron van inkomen aan te kunnen nemen; te weten deelname aan het economisch verkeer met het oogmerk voordeel te behalen (subjectief) en de redelijke verwachting dat voordeel kan worden behaald (objectief).
Een redelijke bewijslastverdeling brengt mee dat eiser de door hem gestelde ondernemingsverliezen aannemelijk moet maken. Dat betekent dat hij, tegenover de betwisting daarvan door verweerder, aannemelijk moet maken dat aan de broncriteria wordt voldaan.
18. Ter zake van de eenmanszaak is het standpunt van verweerder dat niet sprake is van een objectieve, redelijke voordeelverwachting.
18.1
Blijkens de stukken van het geding heeft eiser in zijn aangiften voor de jaren 2008 tot en met 2020 steeds verliezen uit zijn eenmanszaak verantwoord, naar de volgende bedragen:
Jaar
opbrengsten
kosten en lasten
Resultaat
2008
€ 10.546
€ 162.468
-/- € 151.922
2009
€ 24.614
€ 200.265
-/- € 175.651
2010
€ 9.404
€ 115.861
-/- € 106.457
2011
€ 13.352
€ 67.850
-/- € 54.498
2012
€ 19.220
€ 68.920
-/- € 49.700
2013
€ 18.472
€ 89.011
-/- € 70.539
2014
€ 10.157
€ 59.012
-/- € 48.855
2015
€ 2.796
€ 65.716
-/- € 62.920
2016
€ 7.249
€ 69.275
-/- € 62.026
2017
€ 5.470
€ 69.484
-/- € 64.014
2018
€ 2.724
€ 61.358
-/- € 58.634
2019
€ 1.000
€ 21.032
-/- € 20.032
2020
€ 2.437
€ 3.398
-/- € 961
18.2
Eiser heeft ter zitting verklaard dat de ondernemingsactiviteit bestaat uit de exploitatie van een door hemzelf ontwikkeld administratief hulpmiddel in de vorm van een spreadsheet, door dat hij tegen betaling aan derden ter beschikking te stellen. Deze activiteit is vanaf 2010 op een laag pitje terecht gekomen, aldus eiser, doordat enerzijds de Belastingdienst het product in die zin boycot dat hij het de gebruikers ervan moeilijk maakt, anderzijds doordat eiser geheel in beslag wordt genomen door geschillen met de Belastingdienst waardoor hij geen tijd meer heeft voor de onderneming. De in de jaren vanaf 2015 verantwoorde opbrengsten bestaan uit betalingen van derden die nog gebruik maken van de spreadsheet, aldus eiser.
18.3
Gegeven het verloop van de opbrengsten en de kosten sinds 2008, en in aanmerking genomen dat eiser vanaf 2010 niet langer aandacht geeft aan het vermarkten en de verdere ontwikkeling van het administratieve hulpmiddel, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat daarmee voordeel te verwachten valt. Eiser is op dit punt derhalve niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast.
19. Ter zake van de participatie in Vof T is het standpunt van verweerder dat niet in het verband van deze vennootschap wordt deelgenomen aan het economisch verkeer.
19.1
Omtrent de activiteiten van Vof T heeft eiser ter zitting als volgt verklaard.
Bij de aankoop van het huis aan de [adres 2] was op het terrein een kas aanwezig. Eiser en A zijn daarin met een derde vennoot een tuinderij opgestart, waarbij de feitelijke werkzaamheden door deze derde werden verricht en de zakelijke leiding bij eiser berustte. Aan de exploitatie van de tuinderij is al na een paar jaar, in 1992, een einde gekomen. Eiser en A hebben de inschrijving van Vof T in het handelsregister gehandhaafd met het oog op het behoud van de bedrijfsbestemming van de kas. Die is sedert de beëindiging van de tuinderij aan het begin van de jaren ’90 niet anders gebruikt dan voor stalling van de auto’s die eiser als hobby aanhoudt.
19.2
Met het enkele aanhouden van een vermogensbestanddeel wordt niet deelgenomen aan economisch verkeer. Inschrijving in het handelsregister maakt dat niet anders. In de verklaring van eiser ligt besloten dat niet aan het broncriterium van deelname aan het economisch verkeer wordt voldaan, zodat hij ook op dit punt niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan.
20. Ter zake van Vof S is het standpunt van verweerder dat niet sprake is van een objectieve, redelijke voordeelverwachting.
20.1
Blijkens de stukken van het geding hebben eiser en A aan hun aangiften voor de jaren 2008 tot en met 2020 de navolgende verliezen van Vof S ten grondslag gelegd:
Jaar
opbrengsten
kosten en lasten
Resultaat
2008
€ 9.032
€ 9.161
-/- € 129
2009
€ 8.334
€ 8.164
€ 170
2010
€ 10.438
€ 25.337
-/- € 14.899
2011
€ 6.811
€ 34.529
-/- € 27.718
2012
€ 10.160
€ 34.218
-/- € 24.058
2013
€ 3.708
€ 35.602
-/- € 31.894
2014
€ 4.424
€ 32.888
-/- € 28.464
2015
€ 5.412
€ 36.758
-/- € 31.346
2016
€ 2.142
€ 33.425
-/- € 31.283
2017
€ 0
€ 32.005
-/- € 32.005
2018
€ 5.320
€ 35.348
-/- € 30.028
2019
€ 3.341
€ 4.784
-/- € 1.443
2020
€ 1.186
€ 3.523
-/- € 2.337
20.2
In het verband van Vof S wordt, naar eiser ter zitting heeft verklaard, bijstand verleend aan door de Belastingdienst benadeelde belastingplichtigen op basis van no cure, no pay. De kosten bestaan onder andere uit griffierechten die ten laste van het Vof-resultaat worden gebracht.
20.3
Doordat in dertien achtereenvolgende jaren maar één keer een zeer bescheiden positief resultaat is behaald (2009), tegenover verliezen van betekenende omvang in alle andere jaren, is a priori niet aannemelijk dat van de activiteit van de Vof S voordeel te verwachten valt. Eiser heeft niets naar voren gebracht dat aan die aannemelijkheid afbreuk kan doen, in het bijzonder ook niets wat te denken kan geven dat het tij mogelijk zal keren. Daarmee heeft hij niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan.
21. De slotsom is dat naar het oordeel van de rechtbank verweerder de door eiser gestelde ondernemingsverliezen terecht niet heeft aanvaard.
Situering van belegd vermogen in box 1
22. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder voor ieder van de jaren een met € 200.000 te hoge gezamenlijke grondslag sparen en beleggen in aanmerking heeft genomen. Hij stelt daartoe dat “op grond van de jurisprudentie” steeds een forfaitair bedrag van € 50.000 tot het ondernemingsvermogen kan worden gerekend. Aldus situeert hij van het vermogen van hem en A een bedrag van € 200.000 in box 1, namelijk door drie keer € 50.000 toe te rekenen aan de drie hiervoor behandelde door hem gestelde ondernemingen en een keer dat bedrag aan K.
Verweerder betwist dat sprake is van tijdelijk overtollige middelen in enig ondernemingsvermogen.
23. De door eiser gestelde regel bestaat niet. Of middelen als tijdelijk overtollig tot het ondernemingsvermogen kunnen worden gerekend, dan wel of ze het ondernemingsvermogen als blijvend overtollig moeten worden geacht te hebben verlaten, vergt een beoordeling van de feiten en omstandigheden van geval tot geval. Daarvoor kan bijgevolg niet een vast bedrag worden genoemd, wat in de rechtspraak dan ook niet is gedaan.
24. Ten aanzien van de eenmanszaak, van Vof S en van Vof T faalt het standpunt van eiser al om reden dat, zoals hiervoor is geoordeeld, niet sprake is van ondernemingen. Het faalt tevens om de door verweerder genoemde reden.
Om die reden faalt het standpunt ook ten aanzien van K. Het vermogen dat eiser aan box 1 toegerekend wil zien bestaat uit een langdurig aangehouden en bovendien verpande effectenportefeuille alsmede een onroerende zaak in eigen gebruik (de woning te [adres 2] ). Aan de duiding van deze vermogensbestanddelen als tijdelijk overtollige middelen staat al in de weg dat zij in hoge mate illiquide zijn, terwijl aan niets kan worden ontleend dat zij tot het vermogen van de onderneming van K zouden behoren.
Situering van eigenwoningschulden in box 3
25. De woning in [adres 1] is gefinancierd met een hypothecaire lening van Delta Lloyd en met familielening I. Tot het belastingjaar 2013 hebben eiser en A de op de leningen verschuldigde rente steeds als rente van eigenwoningschulden in aftrek gebracht.
Met ingang van het belastingjaar 2013 stelt eiser zich op het standpunt dat hem vrijstaat ervoor te kiezen om die schulden in mindering te brengen bij het bepalen van de gezamenlijke rendementsgrondslag, wat hij vervolgens in de aangiften voor dat en latere jaren heeft gedaan. Dat is, naar hij ter zitting heeft verklaard, ingegeven door het streven maximaal te profiteren van de ‘Hillen-aftrek’ (artikel 3.123a van de Wet IB 2001).
26. Het standpunt van verweerder is dat eigenwoningschulden in box 1 moeten worden gesitueerd.
27. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt. De systematiek van de Wet IB 2001 biedt niet de vrijheid om aan de kwalificatie van de schulden als eigenwoningschuld voorbij te gaan. De schulden van artikel 5.3 lid 1, van de Wet IB 2001 zijn alleen die schulden die niet al eerder in de wet, bij de bepaling van het inkomen in box 1 en 2, in aanmerking komen.
28. Eiser stelt dat op enig moment de lening bij Delta Lloyd zou zijn afgelost en vervolgens opnieuw zou zijn aangegaan. Daardoor zou het overgangsrecht niet langer van toepassing zijn, waardoor de schuld – nu de leningsvoorwaarden niet in aflossing voorzien – vanaf dat moment niet meer als eigenwoningschuld zou kwalificeren (artikel 3.119a, lid 1, letters b en c
,van de Wet IB 2001).
Verweerder betwist dat deze door eiser gestelde handelingen hebben plaatsgevonden.
Eiser heeft deze stelling voor het eerst ter zitting naar voren gebracht, niet van enige onderbouwing voorzien en heeft ook niet benoemd wanneer dan wel de lening zou zijn afgelost en opnieuw zou zijn opgenomen. De rechtbank gaat met het oog daarop aan deze stelling als ongeloofwaardig voorbij.
Effectenportefeuille
29. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte de effectenportefeuille tot de rendementsgrondslag heeft gerekend, om reden dat de desbetreffende aandelen op naam van Delta Lloyd staan.
30. Het gaat hierbij om een portefeuille beursgenoteerde effecten die, naar niet in geschil is, door eiser in pand is gegeven aan Delta Lloyd ter meerdere zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de lening voor de woning te [adres 1]. De uitkeringen op die effecten (dividenden) komen naar eiser ter zitting heeft bevestigd toe aan hem.
31. Dat de effectenportefeuille aan Delta Lloyd in pand is verstrekt, doet niet eraan af dat de eigendom van en het economische belang bij die effecten bij eiser berust. De effectenportefeuille is daarmee naar het oordeel van de rechtbank terecht door verweerder in de gezamenlijke rendementsgrondslag opgenomen.
Strijd met artikel 1 EP Pro
32. Eiser stelt ter zake van alle jaren dat de vermogensrendementsheffing te zijnen aanzien in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM (1 EP) omdat het werkelijk behaalde rendement lager is dan het forfaitair bepaalde rendement. Voor wat betreft de jaren 2015 en 2016 heeft hij daaraan toegevoegd dat de vermogensrendements-heffing ten aanzien van hem tot een individuele en buitensporige last voert.
33. Eiser heeft onvoldoende gegevens naar voren gebracht om te kunnen vaststellen wat in de onderhavige jaren het werkelijk met het box 3-vermogen behaalde rendement is geweest. Daar stuit zijn beroep op artikel 1 EP Pro op af. [4]
Persoonsgebonden aftrek
34. Eiser heeft de navolgende bedragen aan persoonsgebonden aftrek (PGA) opgevoerd ter zake van specifieke zorgkosten:
belastingjaar
PGA
restant PGA voorgaande jaren
2015
2016
€ 4.663
€ 5.316
--
--
2017
€ 4.899
€ 850.000
2018
€ 4.005
€ 25.000
2019
€ 3.903
--
2020
€ 4.256
--
Verweerder heeft de navolgende bedragen aan PGA in aftrek aanvaard:
belastingjaar
PGA
2015
€ 0
2016
2017
€ 5.059
€ 555
2018
€ 0
2019
€ 0
2020
€ 851
35. Het standpunt van eiser is dat verweerder de door hem gestelde PGA voor de jaren 2015 tot en met 2020 ten onrechte niet geheel, en ten onrechte geheel geen restant-PGA uit voorgaande jaren in aanmerking heeft genomen.
36. De PGA is het gezamenlijke bedrag van de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten en het gedeelte van de PGA van voorgaande jaren dat niet eerder in aanmerking is genomen (het restant-PGA). [5]
Aangezien de PGA een aftrekpost is, berust de bewijslast daaromtrent bij eiser.
37. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser tegenover de betwisting door verweerder niet erin geslaagd de door hem gestelde PGA voor de onderhavige jaren aannemelijk te maken. Zij overweegt daartoe als volgt.
37.1
De door eiser opgevoerde zorgkosten bestaan in ieder van de jaren voor ongeveer de helft uit dieetkosten. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, onderdeel g, van de Wet IB 2001 juncto artikel 37 van Pro de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 komen alleen de extra kosten van een op voorschrift van een arts of diëtist gehouden dieet als zorgkosten in aftrek. Op herhaald verzoek van verweerder heeft eiser niet een voorschrift of verklaring van een arts of diëtist overgelegd en ook in beroep heeft hij dat niet gedaan.
37.2
Verweerder heeft de overigens door eiser opgevoerde zorgkosten geaccepteerd voor zover zij van toereikende onderbouwing waren voorzien. Wat betreft de kosten die hij niet in aftrek heeft aanvaard, ontbreekt naar zijn mening op de navolgende punten een toereikende onderbouwing:
  • de opgevoerde kosten van genees- en heelkundige hulp zijn niet aanvaard voor zover eiser heeft nagelaten te onderbouwen dat zij niet voor vergoeding door de ziektekostenverzekeraar in aanmerking kwamen;
  • ter zake van de opgevoerde uitgaven voor kleding en beddengoed is niet aan de facturen en ook niet aan iets anders te ontlenen dat sprake is van extra kosten ten opzichte van iemand die niet ziek is;
  • kosten voor hulpmiddelen zijn niet aanvaard voor zover uit de facturen spreekt dat niet sprake is van uitgaven die als zorgkosten kwalificeren en eiser er ook bij navraag geen onderbouwing voor heeft gegeven (voorbeeld: regulier schoeisel).
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser op deze punten ook in beroep niet een toereikende onderbouwing verstrekt. Als onderbouwing kan in dit verband niet dienen de op de negende dag voor de zitting door eiser ingediende 146 pagina’s aan kopieën van facturen, bonnen, rekeningoverzichten en dergelijke, nu daaraan niet valt te ontlenen dat de daarin vermelde uitgaven als aftrekbare zorgkosten kwalificeren.
38. Eiser stelt dat verweerder restant-PGA uit jaren voor 2015 in aanmerking had moeten nemen. Hij heeft in dit verband wisselende bedragen genoemd. Ter zitting heeft hij verklaard niet te weten voor welk bedrag hij aanspraak heeft op verrekening van restant-PGA, maar dat hij dat ook niet hoeft te weten omdat het de verantwoordelijkheid van verweerder is om dat bij te houden.
Volgens verweerder heeft hij die verantwoordelijkheid niet verzaakt maar is eenvoudigweg niet sprake van een restant-PGA.
De rechtbank volgt verweerder in dat laatste en overweegt daartoe als volgt.
De mogelijkheid om niet-verrekende PGA naar een volgend jaar over te brengen, is geïntroduceerd met de Wet IB 2001. [6] Eiser is ter zake van alle belastingjaren vanaf 2001 in beroep gekomen. Bij de uitspraken in die procedures is steeds het bedrag van de PGA voor de desbetreffende jaren vastgesteld, terwijl uit die uitspraken blijkt dat de vastgestelde PGA steeds tegenover het inkomen van het jaar zelf vergolden is. Dit is alleen anders ten aanzien van 2012, aangezien het bezwaarschrift van eiser tegen de voor dat jaar opgelegde aanslag niet-ontvankelijk is verklaard, maar blijkens de uitspraak betreffende de jaren 2013- 2014 heeft eiser in die procedure geen restant-PGA uit 2012 opgevoerd terwijl het inkomen in die jaren toereikend was voor verrekening van een eventueel restant.
Verzuimboete IB/PVV 2015
39. Eiser heeft voor het doen van aangifte voor het jaar 2015 driemaal om uitstel verzocht, dat verweerder hem laatstelijk verleende onder het stellen van de termijn van 1 februari 2017. Op 10 maart 2017 heeft verweerder eiser herinnerd waarbij hij de termijn heeft gesteld op 24 maart 2017. Op 23 mei 2017 heeft hij eiser aangemaand om uiterlijk op 8 juni 2017 aangifte te doen.
Omdat verweerder geen aangifte van eiser had ontvangen, heeft hij met dagtekening van 7 augustus 2019 ambtshalve de aanslag voor het jaar 2015 opgelegd. Hij heeft daarbij op de voet van artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) aan eiser een verzuimboete opgelegd van € 369 ter zake van het niet doen van aangifte.
40. Eiser heeft in de bezwaarfase naar voren gebracht dat het niet lukte elektronisch aangifte te doen en dat hij daarom ertoe is overgegaan een uitdraai van de gezamenlijke aangifte van hem en A aan de balie af te geven (de ‘kopie voor eigen gebruik’). Eerst in de fase van beroep, nadat verweerder zijn verweerschrift had ingediend, heeft hij een kopie van een uitdraai van de aangifte overgelegd. Het draagt op de eerste bladzijde een stempel van de Belastingdienst te Hoofddorp met de datum 18 januari 2017.
41. Verweerder heeft ter zitting geloofwaardig verklaard dat de uitdraai de aanslagregelende ambtenaar indertijd niet heeft bereikt en dat zij ook nadien niet is opgedoken. Hij stelt zich op het standpunt dat, al aangenomen dat die uitdraai daadwerkelijk door eiser bij de balie is afgeleverd, dat niet eraan kan afdoen dat eiser niet aangifte heeft gedaan in de zin van artikel 67a van de AWR. De rechtbank volgt verweerder hierin en overweegt daartoe als volgt.
41.1
Op grond van artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de AWR is eenieder die daartoe is uitgenodigd gehouden aangifte te doen op de bij ministeriële regeling te bepalen wijze. Vanaf het belastingjaar 2005 dienen IB-ondernemers op grond van artikel 3a van de AWR in verbinding met artikel 20 van Pro de Uitvoeringsregeling AWR aangifte in elektronische vorm te doen. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat eiser op die voet voor de belastingjaren 2005 tot en met 2014 elektronisch aangifte heeft gedaan.
Artikel 3 van Pro de Regeling elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst voorziet in een aantal uitzonderingen op de verplichting elektronisch aangifte te doen. Degene die op papier aangifte wil doen dient daarom te verzoeken en dient de aangifte op grond van artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de AWR te doen in de vorm van het daartoe door de inspecteur uitgereikte formulier (het aangiftebiljet).
Hieruit volgt dat met een uitdraai zoals door eiser bij de balie is afgegeven niet op de krachtens artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de AWR voorgeschreven wijze aangifte wordt gedaan.
41.2
De verzuimboete van artikel 67a AWR strekt ertoe de verplichting correct aangifte te doen in te scherpen, zulks met het oog op een onverstoorde voortgang van de administratieve processen van de Belastingdienst.
Naar verweerder ter zitting geloofwaardig heeft toegelicht, wordt een uitdraai zoals door eiser ingediend procesmatig niet als aangifte herkend en kan het ook niet als zodanig worden verwerkt. Bovendien ontbreekt het signaal dat er wel is wanneer om uitreiking van een aangiftebiljet wordt verzocht.
Gelet hierop is, ook naar de strekking van artikel 67a AWR, met een uitdraai zoals door eiser ingediend niet aangifte gedaan in de zin van die bepaling.
42. Voor de boete van artikel 67a AWR speelt de mate van verwijtbaarheid geen rol. Bij de constatering van een verzuim dient de boete alleen achterwege te blijven bij afwezigheid van alle schuld (avas). Het is aan de belastingplichtige de feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waaraan kan worden ontleend dat van avas sprake is.
In hetgeen eiser ter afwering van de boete naar voren heeft gebracht, ligt naar het oordeel van de rechtbank geen avas besloten. Dit oordeel berust op het navolgende.
42.1
Ter zitting heeft eiser toelicht waarom het niet lukte elektronisch aangifte te doen. De achtergrond daarvan is dat eiser in de aangifte melding wilde maken van de opvatting dat hij en A aanspraak hebben op verrekening van restant-PGA. Omdat zij niet wisten wat het bedrag van de restant-PGA was en zich niet wilden blootstellen aan het verwijt onjuist aangifte te doen, heeft hij een zó hoog bedrag opgenomen dat er geen misverstand over zou kunnen bestaan dat het niet serieus was bedoeld. Hij heeft daarvoor het bedrag van € 9.999.999 genomen dat hij, omdat het aangifteprogramma niet een rubriek ‘restant-PGA’ toonde, heeft opgenomen onder ‘verrekenbare verliezen’. Bij de pogingen de aangifte te verzenden verscheen vervolgens steeds de melding: “uitgelogd door technische storing.”
Tot de gedingstukken behoort een brief van een medewerker van de Centrale Administratie aan eiser van 15 september 2016 waarin deze schreef:
“Door een technisch deskundige is onderzocht wat er in dit geval misgegaan is. Gebleken is dat bij het totaalbedrag aan schulden een waarde is ingevuld die niet wordt ondersteund door de programmatuur.”
Op deze brief is correspondentie gevolgd die erin is uitgemond dat eiser een klacht heeft ingediend. Hij heeft in die correspondentie niet om uitreiking van een papieren aangiftebiljet verzocht en ook niet aangekondigd een aangifte op papier te zullen indienen.
42.2
Eiser had geen reden verliezen in te voeren tot een bedrag dat uitgaat boven wat door de aangifteprogrammatuur wordt geaccepteerd. Ook een bedrag van € 850.000, zoals eiser in zijn aangifte voor het jaar 2007 had opgenomen en door het programma wel is geaccepteerd, is hoog genoeg om tot uitdrukking te brengen dat het niet serieus moet worden genomen. Meer nog had voor de hand gelegen ervoor te kiezen niet in de aangifte te signaleren dat aanspraak op restant-PGA zou bestaan maar dat te doen met een afzonderlijke brief of door tegen de (al dan niet voorlopige) aanslag in bezwaar te komen. Daarmee is het niet zonder schuld van eiser dat niet elektronisch aangifte is gedaan.
42.3
Eiser heeft klaarblijkelijk, naar is af te leiden uit de hiervoor genoemde correspondentie die volgde op de foutmelding, niet geïnformeerd hoe dán aangifte zou moeten worden gedaan maar zelf bedacht dat te doen in de vorm van de ‘kopie voor eigen gebruik’. Het is daarmee eveneens niet zonder schuld van hem dat de papieren aangifte niet middels het voorgeschreven biljet is gedaan.
43. Uit het voorgaande volgt dat de verzuimboete naar het oordeel van de rechtbank terecht is opgelegd.
44. De rechtbank geeft dit oordeel ruim vijfenhalf jaar nadat de boete aan eiser is opgelegd. Zij constateert dat daarmee de redelijke termijn voor berechting is overschreden. Met het oog op de omvang van de boete en de omstandigheden van het geval ziet de rechtbank geen aanleiding de boete te verminderen. [7]
Kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase
45. Eiser stelt dat, nu verweerder bij ieder van de onderhavige uitspraken op bezwaar de aanslag heeft verminderd, hem op de voet van artikel 7:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een vergoeding van kosten toekomt. Verweerder betwist dat sprake is van door een derde verleende rechtsbijstand.
46. De rechtbank constateert dat A zich weliswaar als gemachtigde in de bezwaarprocedures heeft gesteld, maar dat ieder spoor van bemoeienis van haar ontbreekt. Alle correspondentie in die fase is blijkens de zeer herkenbare schrijfstijl door eiser zelf opgesteld, en is overigens ook veelal door hemzelf ondertekend. Blijkens het verslag van de hoorzitting voerde eiser het woord en heeft A zich ook bij die gelegenheid geheel onbetuigd gelaten.
47. Gelet op het voorgaande is niet aannemelijk geworden dat A rechtsbijstand aan eiser heeft verleend. Al daarmee is voor een kostenvergoeding op de voet van artikel 7:15 van Pro de Awb geen plaats.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
48. Eiser stelt dat verweerder bij de aanslagregelingen en de behandeling van de bezwaarschriften gehandeld heeft in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verweerder betwist dat.
49. Eiser noemt in zijn processtukken veelvuldig schending van het motiverings-, fair play- en zorgvuldigheidsbeginsel alsmede van het verbod van détournement de pouvoir, maar steeds zonder dat uit te werken. De rechtbank heeft hem ter zitting de gelegenheid geboden te concretiseren waarin de door hem gestelde schending van die beginsel gelegen is, maar daarvan heeft hij geen gebruik gemaakt.
50. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank voorbij aan de gestelde schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur, als niet aannemelijk gemaakt.
Omkering bewijslast
51. Het standpunt van verweerder dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard kan niet tot andere oordelen leiden dan hiervoor zijn gegeven en behoeft daarom geen behandeling.
Belastingrente
52. Eiser heeft in beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat de belastingrente in strijd met de daartoe strekkende wettelijke bepalingen of enige andere regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht, is ook overigens niet gebleken.
Immateriële schadevergoeding
53. Het oudste bezwaarschrift in deze zaak, dat betreffende de aanslag IB/PVV voor het jaar 2015, is door verweerder ontvangen op 12 september 2019. De rechtbank doet afgerond zes jaar nadien uitspraak.
Eiser verzoekt om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting (ISV).
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen ISV toekomt om reden dat hij met het voeren van de onderhavige procedure misbruik maakt van recht en omdat niet spanning en frustratie ten gevolge van de lange duur van de procedure kan worden verondersteld.
54. De rechtbank constateert dat de onderhavige procedure nagenoeg geheel een herhaling van zetten is.
  • Het ondernemerschap van eiser is drie keer door de rechter beoordeeld, in de procedures over de jaren 2005-2007, 2008-2012 en 2013-2014. In ieder van die procedures is geoordeeld dat met hetgeen in het verband van de eenmanszaak, Vof T en Vof S wordt ondernomen niet aan de broncriteria wordt voldaan.
  • Het standpunt van eiser in de procedure 2008-2012 dat bepaalde banktegoeden als tijdelijk overtollige kasmiddelen aan het ondernemingsvermogen moeten worden toegerekend is ongegrond verklaard om de reden dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat die banktegoeden tot het balansvermogen van een onderneming behoren en hij niet heeft kunnen aanduiden waarom die middelen niet blijvend overtollig zouden zijn.
  • In de procedure 2013-2014 is, voordat eiser de onderhavige beroepen instelde, in hoogste instantie komen vast te staan dat de schulden in verband met de eigen woning niet naar believen door hem van box 1 naar box 3 kunnen worden verhuisd.
  • Over de aan Delta Lloyd verpande effectenportefeuille is twee keer eerder, in de procedures over de jaren 2008-2012 en 2013-2014, vastgesteld dat zij tot het box 3-vermogen behoort.
  • In alle uitspraken is geoordeeld dat dieetkosten niet zonder dokters- of diëtistenverklaring als aftrekbare zorgkosten in aanmerking komen, en uit ieder van die uitspraken blijkt wat ten aanzien van de steeds weer door eiser opgevoerde uitgaven van dezelfde aard aan onderbouwing nodig is om het tot aftrek te leiden.
  • In alle uitspraken is het verzoek van eiser om vergoeding van proceskosten van de hand gewezen, steeds om de reden dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van professionele rechtsbijstand door A.
Eiser heeft geen nieuwe gezichtspunten naar voren gebracht ten opzicht van wat hij in de eerdere procedures had aangevoerd, en heeft ook niet anderszins aangeduid waarin de verwachting kan zijn gelegen dat de uitkomst van de onderhavige procedure een andere zou zijn. De rechtbank volgt daarom verweerder in zijn stelling dat eiser procedeert tegen beter weten in.
55. Dat eiser tegen beter weten in procedeert, is in zichzelf een sterke aanwijzing dat het hem om iets anders is te doen dan om de (hoogte van de) aanslagen. Daarop wijst ook het navolgende.
Een belangrijk deel van de ruim 675 pagina’s aan processtukken die eiser in zijn zaak heeft geschreven handelt over de tegenwerking die hij van de Belastingdienst ervaart en de door hem in verband daarmee voorgenomen en ondernomen civielrechtelijke procedures, strafaangiftes en beklagprocedures op de voet van artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering. In antwoord op de daarop gerichte vragen van de rechtbank heeft eiser ter zitting verklaard dat sinds een fiod-onderzoek in 1996 door de Belastingdienst als misdadiger te worden behandeld; dat hij door de Belastingdienst wordt geboycot en dat zijn klanten de nek om zijn omgedraaid; dat het leven van hem en A naar de knoppen is door de constante spanningen in verband daarmee; dat hij tot zijn dood zal blijven knokken tegen de Belastingdienst en dat de onderhavige procedure dient “als stormram” in die strijd.
Het is de rechtbank ook met die verklaring niet duidelijk geworden wat eiser nu eigenlijk voorheeft met de onderhavige procedure, maar wel dat hij daarmee een ander doel nastreeft dan waar de procesgang in belastingzaken voor dient. Zij volgt daarom verweerder in zijn standpunt dat eiser oneigenlijk gebruik van rechtsmiddelen maakt.
56. Aan het verloop van een bezwaar- en beroepsprocedure die wordt gevoerd met een ander doel dan waar die rechtsgang voor dient, kan degene die dat rechtsmiddel oneigenlijk gebruikt naar het oordeel van de rechtbank niet een aanspraak op immateriële schadevergoeding ontlenen.
57. Voorts kan iemand die in werkelijkheid niet tegen de hem opgelegde aanslagen opkomt maar de beroepsprocedure voert omwille van de procedure zelf, als stormram in een strijd tegen de Belastingdienst van een andere orde, niet worden verondersteld immateriële schade te ondervinden ten gevolge van de lange duur van die procedure.
58. Op deze gronden wijst de rechtbank het verzoek van eiser om ISV af.
Slotsom
59. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de beroepen ongegrond moeten worden verklaard.
Proceskosten
60. In het in r.o. 55 gegeven oordeel ligt besloten dat eiseres onredelijk gebruik maakt van procesrecht in de zin van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb. Daarmee bestaat aanleiding eiser te veroordelen in de proceskosten van verweerder.
Verweerder heeft aan reiskosten voor het bijwonen van de zitting drie maal € 20 gesteld. De helft van het totaal van € 60 heeft betrekking op de zaak van eiseres en de andere helft op die van B.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • veroordeelt eiser in de proceskosten van verweerder tot het bedrag van € 30.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.M. Schillings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.zaaknummers SGR 24/6365, SGR 24/6364, SGR 24/6361, SGR 24/6360 en SGR 24/6359.
2.zaaknummers SGR 24/6358.
3.Vgl. Raad van State 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129 en 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1587.
4.Vgl. HR 6 juni 2024, ECLI:HR:2024:705, r.o. 5.4.11.
5.Artikel 6.1, eerste lid, onderdelen a en b, en tweede lid, onderdeel d, van de Wet IB 2001.
6.De Wet op de inkomstenbelasting 1964 kende niet die mogelijkheid of daarmee vergelijkbare voorziening ter zake van persoonlijke verplichtingen en buitengewone lasten die niet in het jaar zelf vergolden konden worden.
7.HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191.