Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Geschil
Voorts bestaat, naar verweerder ter zitting heeft beaamd, niet enig verschil in de materiële uitwerking tussen niet-ontvankelijkheid en ongegrondverklaring van de beroepen.
Bij de aankoop van het huis aan de [adres 2] was op het terrein een kas aanwezig. Eiser en A zijn daarin met een derde vennoot een tuinderij opgestart, waarbij de feitelijke werkzaamheden door deze derde werden verricht en de zakelijke leiding bij eiser berustte. Aan de exploitatie van de tuinderij is al na een paar jaar, in 1992, een einde gekomen. Eiser en A hebben de inschrijving van Vof T in het handelsregister gehandhaafd met het oog op het behoud van de bedrijfsbestemming van de kas. Die is sedert de beëindiging van de tuinderij aan het begin van de jaren ’90 niet anders gebruikt dan voor stalling van de auto’s die eiser als hobby aanhoudt.
,van de Wet IB 2001).
- de opgevoerde kosten van genees- en heelkundige hulp zijn niet aanvaard voor zover eiser heeft nagelaten te onderbouwen dat zij niet voor vergoeding door de ziektekostenverzekeraar in aanmerking kwamen;
- ter zake van de opgevoerde uitgaven voor kleding en beddengoed is niet aan de facturen en ook niet aan iets anders te ontlenen dat sprake is van extra kosten ten opzichte van iemand die niet ziek is;
- kosten voor hulpmiddelen zijn niet aanvaard voor zover uit de facturen spreekt dat niet sprake is van uitgaven die als zorgkosten kwalificeren en eiser er ook bij navraag geen onderbouwing voor heeft gegeven (voorbeeld: regulier schoeisel).
In hetgeen eiser ter afwering van de boete naar voren heeft gebracht, ligt naar het oordeel van de rechtbank geen avas besloten. Dit oordeel berust op het navolgende.
- Het ondernemerschap van eiser is drie keer door de rechter beoordeeld, in de procedures over de jaren 2005-2007, 2008-2012 en 2013-2014. In ieder van die procedures is geoordeeld dat met hetgeen in het verband van de eenmanszaak, Vof T en Vof S wordt ondernomen niet aan de broncriteria wordt voldaan.
- Het standpunt van eiser in de procedure 2008-2012 dat bepaalde banktegoeden als tijdelijk overtollige kasmiddelen aan het ondernemingsvermogen moeten worden toegerekend is ongegrond verklaard om de reden dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat die banktegoeden tot het balansvermogen van een onderneming behoren en hij niet heeft kunnen aanduiden waarom die middelen niet blijvend overtollig zouden zijn.
- In de procedure 2013-2014 is, voordat eiser de onderhavige beroepen instelde, in hoogste instantie komen vast te staan dat de schulden in verband met de eigen woning niet naar believen door hem van box 1 naar box 3 kunnen worden verhuisd.
- Over de aan Delta Lloyd verpande effectenportefeuille is twee keer eerder, in de procedures over de jaren 2008-2012 en 2013-2014, vastgesteld dat zij tot het box 3-vermogen behoort.
- In alle uitspraken is geoordeeld dat dieetkosten niet zonder dokters- of diëtistenverklaring als aftrekbare zorgkosten in aanmerking komen, en uit ieder van die uitspraken blijkt wat ten aanzien van de steeds weer door eiser opgevoerde uitgaven van dezelfde aard aan onderbouwing nodig is om het tot aftrek te leiden.
- In alle uitspraken is het verzoek van eiser om vergoeding van proceskosten van de hand gewezen, steeds om de reden dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van professionele rechtsbijstand door A.
Beslissing
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt eiser in de proceskosten van verweerder tot het bedrag van € 30.