Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9190

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
NL25.16058
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 VWEUArt. 3 EVRMArt. 8 EVRMArt. 18 VWEUArt. 7 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsdocument EU/EER wegens ontbreken uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie

Eiseres, van Surinaamse nationaliteit, verzocht om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op grond van artikel 20 VWEU Pro en het arrest K.A., stellende een familierechtelijke relatie en uitzonderlijke afhankelijkheid van haar tante, een Nederlandse staatsburger. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat de relatie en afhankelijkheid niet waren aangetoond.

De rechtbank behandelde het beroep en concludeerde dat eiseres geen objectieve, gelegaliseerde documenten had overgelegd die de familieband en uitzonderlijke afhankelijkheid bevestigen. De psychische nood van de referente was niet onderbouwd en er was geen sprake van een situatie waarin de familieleden niet van elkaar gescheiden kunnen worden.

Eiseres voerde aan dat het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd was, dat zij niet gehoord was, en dat het discriminatieverbod en diverse internationale bepalingen waren geschonden. De rechtbank oordeelde dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en dat het horen terecht was achterwege gelaten. Ook andere beroepsgronden werden verworpen.

Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter P.L.C.M. Ficq en griffier M.A.H. Gonera.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.16058 (beroep)
NL26.16060 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedag] 1982, van Surinaamse nationaliteit, eiseres en verzoeker (eiseres)
(gemachtigde: mr. R. Dhalganjansing),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Spijkerman).

Procesverloop

1. Eiseres heeft een aanvraag ingediend tot afgifte van een document waaruit een afgeleid verblijfsrecht blijkt op grond van artikel 20 van Pro het VWEU [1] en het arrest K.A. [2]
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 28 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiseres heeft op 25 januari 2023 verblijfsrecht gekregen op grond van studie. Eiseres heeft op 5 november 2024 gevraagd om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER [3] . Zij wil namelijk rechtmatig verblijf bij [persoon] , die de Nederlandse nationaliteit bezit en de gestelde tante van eiseres is (hierna: referente).
3. Aan het bestreden besluit legt verweerder ten grondslag dat eiseres geen beroep kan doen op het arrest K.A., omdat de gestelde familierechtelijke relatie tussen eiseres en referente niet is aangetoond. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in dat arrest waarin een familielid van een meerderjarige burger van de EU een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van Pro het VWEU kan verkrijgen. De afwijzing van de aanvraag is niet in strijd met de artikelen 3 en 8 van het EVRM. [4] Omdat volgens verweerder sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar, is eiseres niet gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

Het verzoek om een voorlopige voorziening
4. Op de zitting heeft eiseres het verzoek om een voorlopige voorziening met nummer NL26.16060 ingetrokken.
Het beroep van eiseres
5. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd is. Verweerder heeft niet alle relevante feiten betrokken bij de beoordeling van een mogelijk afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van Pro de VWEU in de zin van het arrest K.A., terwijl het declaratoire karakter van Unierechtelijk verblijf meebrengt dat nationale procesregels de nuttige werking daarvan niet mogen uithollen. Eiseres stelt dat ten onrechte geen gelegenheid is geboden tot herstel van verzuim als bedoeld in artikel 4:5 van Pro de Awb [5] , dat geen onafhankelijk medisch deskundigenadvies is ingewonnen over de gestelde psychische problemen en afhankelijkheidsrelatie, en dat in strijd met de hoorplicht van horen is afgezien. Dit is ook in strijd met artikel 2:4 van Pro de Awb en met het discriminatieverbod van artikel 18 van Pro de VWEU. Eiseres beroept zich daarnaast op artikel 7 van Pro het Handvest [6] en artikel 8 van Pro het EVRM, op artikel 31 VCLT Pro, [7] op de door haar aangehaalde jurisprudentie en op de Guidance rapporten van de Europese Commissie van 2014 en 2023. Daarnaast levert terugkeer strijd op met artikel 3 van Pro het EVRM en dient toepassing gegeven te worden aan artikel 64 van Pro de Vw. [8] Verder behoort eiseres als verwesterde vreemdeling bescherming te krijgen en verwijst zij in dit kader naar het arrest Jeunesse. [9] Tot slot is de SIS [10] -signalering onrechtmatig en maakt de Staat onbeperkt en selectief gebruik van privégegevens. Ook stelt eiseres dat verweerder heeft verzuimd de nationale verblijfsgrond te beoordelen voordat naar afgeleid verblijfsrecht op grond van het Unierecht is gekeken.
Is sprake van een afhankelijkheidsrelatie als bedoeld in het arrest K.A.?
6. Uit het arrest K.A. volgt dat volwassenen – anders dan minderjarigen – in beginsel in staat worden geacht om hun leven onafhankelijk van hun familieleden te leiden. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt bij twee volwassen familieleden een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van Pro het VWEU aangenomen. Daarvoor is vereist dat tussen twee volwassen familieleden een afhankelijkheidsverhouding bestaat waarbij het ene familielid, gelet op alle relevante omstandigheden, op geen enkele wijze kan worden gescheiden van het andere familielid van wie hij afhankelijk is. [11]
7. De rechtbank overweegt op dit punt als volgt. Eiseres heeft niet met objectieve stukken aangetoond dat sprake is van een familierechtelijke relatie tussen haar en referente. Eiseres heeft namelijk geen met een apostille gelegaliseerde documenten overgelegd, terwijl verweerder meermaals heeft aangegeven dat dit vereist is bij documenten uit Suriname. Ook zijn geen objectieve en verifieerbare stukken overgelegd waaruit blijkt dat sprake zou zijn van de uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie als bedoeld in arrest K.A. Niet is gebleken dat referente en eiseres op geen enkele wijze van elkaar kunnen worden gescheiden. De gestelde psychische nood bij referente is op geen enkele manier onderbouwd. Daarbij heeft referente zelf verklaard dat zij alleen slecht ter been is. Zij spreekt in haar verklaring niet van psychische klachten. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder eerst de nationale verblijfsgrond moeten beoordelen?
8. Eiseres stelt dat verweerder op grond van het arrest Subdelegacion [12] eerst had moeten kijken of zij op grond van het nationaal recht in aanmerking komt voor een verblijfsrecht, voordat aan artikel 20 van Pro het VWEU wordt getoetst.
9. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt. De gemachtigde van verweerder heeft op de zitting aangevoerd dat dit arrest ziet op de situatie waarin, anders dan in deze zaak, sprake is van een sterke afhankelijkheidssituatie tussen een Unieburger en een vreemdeling. Zoals onder 7 is geoordeeld is van een dergelijke afhankelijkheidsrelatie in het geval van eiseres en referente niet gebleken. Dit brengt met zich mee dat geen sprake is van de situatie dat referente wordt genoodzaakt het grondgebied van de EU te verlaten, zodat verweerder in het kader daarvan geen nader onderzoek hoeft te doen naar de vraag of eiseres op grond van het nationale recht mogelijk in aanmerking komt voor een verblijfsrecht. Deze beroepsgrond slaagt niet.
SIS-signalering
10. De beroepsgrond over de SIS-signalering behoeft naar het oordeel van de rechtbank geen bespreking, nu eiseres niet gesignaleerd staat omdat zij geen terugkeerbesluit heeft gekregen.
Verwesterde vreemdeling en Surinaamse vreemdelingen
11. Volgens eiseres moet aan haar, als verwesterde vreemdeling, een rechtmatig verblijf in Nederland worden toegekend. Hieraan doet niet af dat zij geen vluchtelingenstatus heeft aangevraagd, nu uit het Ararat-arrest [13] volgt dat geen waterscheiding tussen asiel en regulier bestaat. Omdat eiseres een Surinaamse vreemdeling is, moeten haar banden met Nederland anders worden gewogen vergeleken met de banden van vreemdelingen uit derde landen. Eiseres beroept zich hierbij op een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 februari 2025. [14]
12. De gemachtigde van verweerder heeft op de zitting naar het oordeel van de rechtbank terecht aangevoerd dat het beroep op de door eiseres aangehaalde jurisprudentie niet kan slagen. Eiseres is namelijk geen Nederlander geweest en woont ook nog niet zo lang in Nederland. Er is (terecht) geen belangenafweging gemaakt omdat de familieband niet is aangetoond, waardoor het feit dat eiseres uit Suriname komt ook niet had moeten worden meegewogen bij een belangenafweging. Ook het beroep op de prejudiciële vragen die in het kader van het inburgeringsvereiste bij de aanvraag van een machtiging tot voorlopig verblijf zijn gesteld slaagt niet. In deze zaak is het inburgeringsvereiste namelijk niet aan de orde.
Hoorplicht in bezwaar
13. Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Awb stelt het bestuursorgaan belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord alvorens op het bezwaar wordt beslist. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. De Afdeling heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van het bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [15]
14. Gelet op de motivering van het primaire besluit en op hetgeen eiseres daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, is aan de maatstaf voldaan. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom is afgezien van horen. Eiseres heeft geen objectieve en verifieerbare stukken overgelegd waaruit een gezinsband of bijzondere afhankelijkheid volgt. Verder heeft eiseres niet inzichtelijk gemaakt welke inspanningen zijn verricht om de aangekondigde medische rapportages te verkrijgen en evenmin geconcretiseerd wat zij tijdens een hoorzitting naar voren zou brengen dat tot een andere uitkomst had kunnen leiden. Verweerder heeft het bezwaar kennelijk ongegrond kunnen verklaren en heeft kunnen afzien van het horen van eiseres.
Overige beroepsgronden
15. De rechtbank stelt vast dat de verdere beroepsgronden een herhaling zijn van hetgeen eiseres al in bezwaar naar voren heeft gebracht. Daarop is verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan. Eiseres heeft niet toegelicht wat op die punten onjuist is aan de motivering van verweerder in het bestreden besluit. De rechtbank ziet in wat eiseres verder in beroep heeft aangevoerd daarom geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgronden kunnen niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiseres om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A.H. Gonera, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
2.Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2018, ECLI:EU:C:2017:821.
3.Europese Unie/ Europese Economische Ruimte.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Algemene wet bestuursrecht.
6.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
7.Het Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht van 23 mei 1969.
8.Vreemdelingenwet 2000.
9.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Jeunesse tegen Nederland van 3 oktober 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810.
10.Schengen Informatiesysteem.
11.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2541, r.o. 3.2.
12.Arrest van 27 februari 2020, C836/18, ECLI:EU:C:2020:119.
13.Arrest van 1 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.
15.Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.