Eiser, met onbekende nationaliteit, diende op 4 oktober 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Nederland stelde vast dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening, omdat eiser eerder in Duitsland asielverzoeken had ingediend. Verweerder nam de aanvraag daarom niet in behandeling.
Eiser voerde aan dat hij vreest voor indirect refoulement en dat Nederland de aanvraag om humanitaire redenen in behandeling moet nemen. De rechtbank overweegt dat verweerder mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, dat inhoudt dat lidstaten ervan uit mogen gaan dat andere lidstaten hun internationale verplichtingen nakomen. Eiser heeft onvoldoende concrete aanwijzingen of landeninformatie overgelegd om dit vermoeden te weerleggen.
De rechtbank stelt vast dat er geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid maken. Ook het risico op indirect refoulement is niet aannemelijk gemaakt. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.