Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9108

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
NL26.18154
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 15 TerugkeerrichtlijnVreemdelingenwet 2000Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling zonder rechtmatig verblijf

De minister van Asiel en Migratie legde op 30 maart 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde op 1 april 2026 beroep in tegen deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De rechtbank behandelde het beroep op 10 april 2026 via telehoren.

De minister baseerde de bewaring op meerdere zware en lichte gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht, het niet meewerken aan het vaststellen van identiteit en het niet naleven van terugkeerbesluiten. Eiser betwistte deze gronden niet. De rechtbank oordeelde dat de maatregel op de juiste wettelijke grondslag was genomen en dat er voldoende risico bestond dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken.

Eiser voerde aan dat het verlengingsbesluit onrechtmatig was omdat hij niet was gehoord en niet was geïnformeerd over het voornemen tot verlenging. De rechtbank stelde vast dat de procedurele waarborgen voor een rechtmatig verlengingsbesluit niet waren nageleefd, maar dat de termijn van zes maanden bewaring nog niet was overschreden, zodat de bewaring nog niet onrechtmatig was.

De rechtbank concludeerde dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting en dat er zicht is op uitzetting naar Algerije. Er waren geen persoonlijke omstandigheden die een lichter middel rechtvaardigden. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18154

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: L. Ploeger).

Inleiding

1. De minister heeft op 30 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft op 1 april 2026 tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is op het detentiecentrum Rotterdam verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Op de rechtbank in Groningen is een tolk verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(lichte gronden)4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb [2] heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kon worden toegepast.
2.2.
Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
4. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, omdat aan eiser op 18 oktober 2023 een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar is opgelegd. Die beslissingen staan in rechte vast; eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
5. De zware en lichte gronden zijn door eiser niet betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang bezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Er bestaat dan ook voldoende grond voor het standpunt van de minister dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Lichter middel
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen of medische omstandigheden van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om een lichter middel dan een maatregel van bewaring op te leggen. Dat eiser diazepam gebruikt en sinds zijn verblijf in detentie veel stress ervaart, is daarvoor geen reden. Bovendien zijn de psychische en medische omstandigheden van eiser kenbaar gemaakt in de maatregel en voldoende bij de beoordeling betrokken. Eiser is door de minister gewezen op het feit dat in de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg aanwezig is en dat, mocht zich onverhoopt medische of psychische problematiek voordoen, behandeling kan worden aangevraagd, gestart dan wel voortgezet. In dat verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra als gelijkwaardig kan worden aangemerkt aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.
Voortvarendheid
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft op de tweede dag van de inbewaringstelling, namelijk op 31 maart 2026, een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Daarnaast heeft de minister voorafgaand aan de bewaring, op 27 februari 2026, de lp [3] -aanvraag doorgezonden aan de Algerijnse autoriteiten, waarop op 12 maart 2026 en 3 april 2026 is gerappelleerd. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
Zicht op uitzetting
8. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling [4] van 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt. [5] De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen verstrekken. Daarbij is van belang dat de huidige lp-aanvraag in februari is opgestart en dat de duur daarvan nog niet zo lang is dat op grond daarvan niet langer verwacht kan worden dat een lp zal worden afgegeven. Het enkele feit dat een eerder lp-traject al meer dan zes maanden geleden is opgestart, betekent bovendien niet op voorhand dat er thans geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.
Kan de maatregel ook worden aangemerkt als een verlengingsbesluit?
9. Eiser voert aan dat het verlengingsbesluit, zoals opgenomen in de maatregel van bewaring, onrechtmatig is. Aan eiser is niet aangekondigd dat een verlengingsbesluit zou worden genomen, hij is niet in de gelegenheid gesteld om met zijn advocaat op dit voornemen te reageren en hij is hierover niet nadrukkelijk gehoord. Verder stelt eiser dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van de Terugkeerrichtlijn, artikel 15, vijfde en zesde lid, voor het opleggen van een verlengingsbesluit, omdat eiser wel degelijk meewerkt en de benodigde documentatie uit Algerije niet meer kan worden verwacht.
10. De minister stelt zich primair op het standpunt dat wat in de maatregel is opgenomen onder het kopje verlengingsbesluit kan worden aangemerkt als een verlengingsbesluit en dat daartegen afzonderlijk beroep dient te worden ingesteld. Eiser heeft dit niet gedaan, waardoor dit volgens de minister buiten de omvang van dit geding valt. Subsidiair voert de minister aan dat het verlengingsbesluit voldoende en deugdelijk is gemotiveerd en dat bovendien de termijn van zes maanden in bewaringstelling nog niet is verstreken en daarmee het moment waarop een verlengingsbesluit moet worden genomen nog niet is aangebroken.
11. De rechtbank overweegt dat in artikel 59, vijfde lid, van de Vw is bepaald dat de bewaring (in beginsel) niet langer duurt dan zes maanden. In artikel 59, zesde lid, van de Vw is vervolgens bepaald dat die bewaring ten hoogste met nog eens twaalf maanden kan worden verlengd indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.
11.1.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen is niet in geschil dat uit het recente arrest
Aroja [6] voortvloeit dat de minister een verlengingsbesluit moet nemen wanneer de duur van de verschillende periodes van bewaring op grond van hetzelfde terugkeerbesluit bij elkaar opgeteld zes maanden bedraagt.
11.2.
Verder overweegt de rechtbank dat uit het beleid [7] van de minister volgt dat de DT&V [8] de vreemdeling vóór het verstrijken van de zes maanden moet informeren over de verlenging van de bewaring, indien er redenen zijn om de bewaring met een termijn van maximaal twaalf maanden te verlengen. De DT&V stelt dit besluit op en reikt dit aan de vreemdeling uit. In het verlengingsbesluit wordt nagegaan of er voldaan is aan de voorwaarden voor verlenging, of er nog voldoende gronden voor de bewaring zijn, of de bewaring voor de vreemdeling onredelijk bezwarend is en of er zicht op uitzetting bestaat.
11.3.
In de maatregel van bewaring staat, onder het kopje verlengingsbesluit, het volgende vermeld:
“De cumulatieve bewaringsduur op grond van het thans geldende terugkeerbesluit maakt dat binnen twee weken de duur van zes maanden op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw verstrijkt. Daarom is deze maatregel eveneens aangemerkt als verlenging van de bewaring met ten hoogste twaalf maanden op grond van artikel 59, zesde lid, Vw.”
11.4.
Hoewel dit een verlengingsbesluit lijkt te impliceren, is de rechtbank van oordeel dat dit onvoldoende is om dit als een verlengingsbesluit aan te merken. Uit het proces-verbaal van het gehoor blijkt weliswaar dat aan het einde van het gehoor aan eiser is medegedeeld dat een verlengingsbesluit zou worden genomen, maar daaruit volgt niet nadrukkelijk dat het voornemen bestond om de bewaring met ten hoogste twaalf maanden te verlengen. Evenmin blijkt dat eiser en zijn advocaat in de gelegenheid zijn gesteld om op dat voornemen te reageren. Dat verder uit de maatregel blijkt dat aan de materiële voorwaarden voor verlenging is voldaan, maakt niet dat sprake is van een rechtmatig verlengingsbesluit, nu de vereiste procedurele waarborgen niet in acht zijn genomen. De rechtbank volgt de minister dan ook niet in zijn standpunt dat wat in de maatregel is opgenomen kan worden aangemerkt als een rechtmatig verlengingsbesluit.
11.5.
De rechtbank stelt vast dat eiser eerder in bewaring is gesteld op 8 mei 2025 en dat deze bewaring is opgeheven op 16 oktober 2025. Deze periode, opgeteld bij de huidige periode van bewaring tot aan de sluiting van het onderzoek ter zitting, bedraagt in totaal 174 dagen. Daarmee is de termijn voor het nemen van een verlengingsbesluit van 180 dagen nog niet overschreden. Dit betekent dat de minister nog twee dagen resteert om een eventueel verlengingsbesluit te nemen. De maatregel van bewaring duurt daarom op dit moment op deze grond nog niet onrechtmatig voort.

Conclusie en gevolgen

12. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [9]
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van mr.
S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.Laissez-passer.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Hof van Justitie van de Europese Unie 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.
7.Zoals vastgelegd in paragraaf A5/6.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
8.Dienst Terugkeer en Vertrek.
9.Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).