De zaak betreft een beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring die de minister van Asiel en Migratie aan hem heeft opgelegd. Eiser betoogt dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, onvoldoende voortvarend is bij de uitzetting en dat het zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt.
De rechtbank stelt vast dat de maatregel van bewaring eerder rechtmatig is bevonden en dat sindsdien geen omstandigheden zijn veranderd die een lichter middel rechtvaardigen. De minister heeft maandelijks rappelleringen gedaan bij de Algerijnse autoriteiten en regelmatig vertrekgesprekken gevoerd met eiser, wat voldoende voortvarendheid toont.
Hoewel het lp-traject sinds juni 2024 loopt zonder afgifte van een laissez-passer, concludeert de rechtbank dat het uitzicht op uitzetting niet ontbreekt. Eiser heeft onvoldoende inspanningen geleverd om zijn identiteit vast te stellen of actief mee te werken aan zijn uitzetting.
De rechtbank wijst het beroep ongegrond en het verzoek om schadevergoeding af. De maatregel van bewaring blijft gehandhaafd en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.