ECLI:NL:RBDHA:2026:8882

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
NL25.46161
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:55d AwbArt. 8:75 AwbArt. 42 Vreemdelingenwet 2000Besluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen niet-tijdig beslissen op asielaanvraag met oplegging dwangsom

Eiser diende op 11 december 2022 een asielaanvraag in. De minister wees deze op 30 september 2024 af als kennelijk ongegrond. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit, maar de minister trok het besluit op 12 januari 2026 in. Eiser handhaafde zijn beroep en vroeg de rechtbank dit aan te merken als beroep tegen het niet-tijdig beslissen.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk vanwege het intrekken van het besluit. Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen werd gegrond verklaard omdat de minister de beslistermijn van zes maanden ruimschoots had overschreden. De rechtbank legde een termijn van twee weken op waarbinnen de minister alsnog een besluit moet nemen.

Daarnaast werd een dwangsom van €100 per dag opgelegd voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. De rechtbank veroordeelde de minister ook tot betaling van €1.401 aan proceskosten aan eiser vanwege het beroep tegen het niet-tijdig beslissen. De uitspraak werd gedaan zonder nadere zitting en in het openbaar bekendgemaakt op 20 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet-tijdig beslissen gegrond, legt een termijn van twee weken op voor besluitvorming en een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.46161
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. F.W. Verweij),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

1. Eiser heeft op 11 december 2022 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 30 september 2024 de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2
De minister heeft het bestreden besluit op 12 januari 2026 ingetrokken. Eiser heeft de rechtbank vervolgens laten weten dat hij zijn beroep handhaaft en de rechtbank verzocht zijn beroep aan te merken als beroep tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
1.3
Omdat partijen niet hebben verklaard een nadere zitting te wensen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en doet uitspraak zonder nadere zitting.

Overwegingen

Het beroep tegen het bestreden besluit
2. Eiser heeft in eerste instantie beroep ingesteld tegen het besluit van
30 september 2024. Omdat de minister het bestreden besluit heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van het beroep voor zover dat gericht is tegen het bestreden besluit. Het beroep tegen het bestreden besluit is daarom niet-ontvankelijk.
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag
3. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het standpunt van eiser kan het ingestelde beroep worden aangemerkt als beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog
beslist moet worden op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
4. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de minister het besluit van 30 september 2024 heeft ingetrokken en het niet redelijk is om dan van eiser te verwachten dat hij een ingebrekestelling aan de minister stuurt.1
Is het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit van eiser gegrond?
5. De minister heeft de aanvraag op 11 november 2022 ontvangen. Toen de minister zijn besluit van 30 september 2024 introk, was de voor dat besluit geldende beslistermijn al voorbij. De minister moet namelijk uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen.2 Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
6. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.3
7. Bij het bepalen van een passende nadere beslistermijn maakt de rechtbank een afweging. Daarbij houdt zij rekening met het belang van zowel snelle als zorgvuldige besluitvorming.4 Dat de beslistermijn van 21 maanden waarbinnen de behandelingsprocedure dient te worden afgerond in dit geval ruimschoots is overschreden, is één van de aspecten die de rechtbank in deze afweging meeweegt. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat uit de beschikbare stukken blijkt dat de minister een voornemen op het te nemen besluit bekend heeft gemaakt en dat eiser hierop een zienswijze heeft ingediend. De rechtbank ziet in deze omstandigheden geen aanleiding om de minister een langere nadere beslistermijn dan de wettelijke termijn van twee weken op te leggen. De nadere beslistermijn is dus twee weken. Deze termijn vangt aan na de dag van verzending van deze uitspraak.

Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?

8. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.5 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak
1. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1120.
2 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2023/26 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025/28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2024 weer een beslistermijn van zes maanden.
3 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
5 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx.
bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om een lagere dwangsom op te leggen, zoals de minister heeft verzocht.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen twee weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.
10. De rechtbank ziet aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken. Eiser heeft namelijk terecht beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van het besluit. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de andere partij laten betalen.6
11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. De rechtbank kent een bedrag toe van € 1.401,-. Dit omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend tegen het besluit van 30 september 2024 (1 punt = € 934,-) en omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend tegen het niet-tijdig beslissen op de aanvraag. Omdat laatstgenoemde beroepschrift alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (0,5 punt = € 467,-). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 30 september 2024 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op de asielaanvraag gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet-tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen
  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.401,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
J.M. Pattynama, griffier.
6 Artikel 8:75, eerste lid, van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
20 maart 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.