Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8830

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
SGR 25/7173
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 20 regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek Lichte Educatieve Maatregel Gedrag en Verkeer wegens ontbreken nieuwe feiten

Eiser heeft een Lichte Educatieve Maatregel Gedrag en Verkeer (LEMG) opgelegd gekregen wegens een snelheidsovertreding van 150 km/u waar 100 km/u was toegestaan. Eiser verzocht om herziening van deze maatregel naar aanleiding van een strafrechtelijk sepot, stellende dat dit een nieuw feit is dat de maatregel zou moeten herzien.

De rechtbank oordeelt dat een strafrechtelijk sepot op zich geen nieuw feit of omstandigheid vormt die herziening rechtvaardigt, tenzij het sepot de inhoud van de processen-verbaal weerlegt. Dit is niet het geval; het sepot vermeldt slechts een gebrek aan bewijs zonder nadere toelichting. Eiser erkent te hard te hebben gereden, maar betwist de hoogte van de overschrijding en stelt dat de maximumsnelheid 120 km/u was in plaats van 100 km/u.

De rechtbank stelt vast dat het traject een dynamische maximumsnelheid kent, geregeld door elektronische borden, en dat eiser zich mogelijk heeft vergist. De weigering van verweerder om de maatregel te herzien is niet evident onredelijk. Gezien de overschrijding van 50 km/u is de oplegging van de LEMG bovendien verplicht. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek LEMG wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/7173

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen;verweerder
(gemachtigde: mr. P.A. Leerentveld).

Procesverloop

1. Eiser heeft een verzoek ingediend voor herziening van de opgelegde Lichte Educatieve Maatregel Gedrag en Verkeer (LEMG). Verweerder heeft dit verzoek met het besluit van 22 juli 2025 afgewezen.
1.1.
Op 8 augustus 2025 heeft eiser hiertegen bezwaar ingediend. Met het bestreden besluit van 29 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser heeft op met een besluit van 3 april 2025 een LEMG opgelegd gekregen. Volgens de processen-verbaal van de politie zou eiser namelijk in de vroege ochtend van 23 maart 2025 150 kilometer per uur hebben gereden waar maximaal 100 kilometer per uur is toegestaan. Dit besluit staat in rechte vast.
2.1.
Eiser heeft verzocht om herziening van de maatregel, vanwege een sepot van het voorval dat geleid heeft tot oplegging van de LEMG. Verweerder heeft het herzieningsverzoek afgewezen omdat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe, kort samengevat, het volgende aan. Het sepot tast de feitelijke basis van verweerders besluit aan. Daarom is sprake van een nieuw feit of veranderende omstandigheid. Verder bevat het dossier aanwijzingen dat de vaststellingen en meetgegevens onvoldoende zijn onderzocht en gemotiveerd door verweerder. Volgens eiser was de toegestane maximumsnelheid op het moment dat de snelheidsovertreding is geconstateerd - in de tijdsperiode van 19.00 uur tot 06.00 uur - 120 kilometer per uur en niet 100 kilometer per uur. Eiser erkent te hard te hebben gereden, maar hij heeft niet de maximumsnelheid met 50 tot 60 km per uur overschreden, maar slechts met 30 km per uur. De LEMG is daarom ten onrechte opgelegd. Verder is, gelet op het sepot, handhaving van de LEMG disproportioneel. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de LEMG noodzakelijk is voor de bescherming van de verkeersveiligheid.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank stelt voorop dat in een herzieningsverzoek het allereerst de vraag is of eiser nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die het bestuursorgaan aanleiding moeten geven om het besluit te heroverwegen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. Daarbij is het volgende van belang.
4.1.
De hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in eerdere uitspraken uitgelegd dat een strafrechtelijk sepot geen nieuw feit of omstandigheid is die aanleiding geeft tot herziening van oplegging van de LEMG. [1] Dit is anders als het sepot de inhoud van de processen-verbaal die ten grondslag liggen aan de maatregel, weerlegt of er een ander licht op werpt. Uit het sepot blijkt slechts dat de officier van justitie de strafzaak seponeert wegens gebrek aan bewijs. Eiser stelt dat hieruit volgt dat hij de maximumsnelheid niet met 50 km per uur heeft overschreden, maar dit is niet wat het sepot vermeldt. Het sepot vermeldt weliswaar dat sprake is van een gebrek aan bewijs, maar niet waarom dit het geval is. Hieruit volgt dus niet dat de inhoud van de processen-verbaal wordt weerlegd of dat het sepot een ander licht werpt op de feiten en omstandigheden. In bijzonder is van belang dat uit het sepot niet volgt dat de geconstateerde maximumsnelheid van 100 kilometer per uur en de overschrijding daarvan met in elk geval 50 kilometer per uur niet klopt. De beroepsgrond slaagt niet.
4.2.
De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de weigering van verweerder om het oorspronkelijke besluit te herzien, evident onredelijk is. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij weliswaar te hard reed, maar dat hij nooit zo hard zou rijden dat hij zijn rijbewijs zou riskeren. Ook heeft eiser verklaard dat hij de verkeersborden die de maximumsnelheid aangeven niet heeft gezien, maar dat hij vertrouwde op kennis en ervaring van de maximumsnelheid uit het verleden. De rechtbank leidt uit de verklaringen van eiser af dat hij in de oprechte, maar - zoals volgt uit de processen-verbaal - onjuiste veronderstelling verkeerde dat de maximumsnelheid 120 kilometer per uur was. Bovendien is op het traject waar eiser reed sprake van een dynamische maximumsnelheid, gereguleerd door elektronische verkeersborden. Niet is uitgesloten dat eiser, die een inschatting maakt op basis van eerdere ervaringen en de verkeersborden niet heeft gezien, zich heeft vergist in de toegestane maximumsnelheid. Onder deze omstandigheden is het besluit van verweerder om niet terug te komen op de opgelegde maatregel, niet evident onredelijk. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
4.3.
Nu verweerder uit mocht gaan van een overschrijding van de maximum snelheid met 50 kilometer per uur kan ook het argument van eiser dat de maatregel disproportioneel is niet slagen. Bij een overschrijding van tussen de 50 en 59 kilometer per uur is verweerder namelijk verplicht om de maatregel op te leggen. [2]
4.4.
Nu eiser verder geen nieuwe feiten of omstandigheden ten grondslag heeft gelegd aan zijn verzoek, is het beroep reeds hierom ongegrond. Wat eiser verder heeft aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van de Afdeling van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4941 en 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2079.
2.Deze verplichting volgt uit artikel 20 van Pro de regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011.