ECLI:NL:RBDHA:2026:8817

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
AWB 26/4949
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbDublinverordeningartikel 17 Dublinverordening
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Frankrijk

Opposante heeft een asielaanvraag ingediend die door de minister niet in behandeling is genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep van opposante zonder zitting kennelijk ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is verzet ingesteld, dat op 9 april 2026 is behandeld.

Opposante voert aan dat de minister de normale Dublinprocedure niet heeft gevolgd en dat het medische dossier niet is onderzocht, met het verzoek dit alsnog te herzien vanwege haar ziekte en onmogelijkheid tot overbrenging naar Frankrijk. Tevens heeft zij een brief van Franse autoriteiten overgelegd waarin haar wordt verzocht het land te verlaten.

De rechtbank overweegt dat verzet zich beperkt tot de vraag of de zaak ten onrechte zonder zitting is behandeld. Uit de overgelegde stukken blijkt geen aanleiding om het interstatelijk vertrouwensbeginsel te verwerpen. De aangevoerde argumenten scheppen geen twijfel over de uitkomst van de eerdere uitspraak. Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van 2 maart 2026 blijft in stand.

Uitkomst: Het verzet tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 26/4949 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2026 op het verzet van

[naam], uit [woonplaats] , opposante [1]
V-nummer: [nummer 1] ,
mede namens haar minderjarige kinderen:

[kind1] ,

geboren op [datum 1] ,
V-nummer: [nummer 2] ,

[kind2]

geboren op [datum 2] ,
V-nummer: [nummer 3] ,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 2 maart 2026 in het geding tussen
opposante
en

de minister van Asiel en Migratie, geopposeerde

(gemachtigde: mr. Ö. Sari).

Inleiding

1. Bij besluit van 28 januari 2026 heeft de minister de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van opposante niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk volgens hem verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Opposante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
Bij uitspraak van 2 maart 2026 [2] heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep zonder zitting kennelijk ongegrond verklaard. [3]
1.3.
Opposante heeft tegen de uitspraak van 2 maart 2026 (hoger) beroep ingesteld bij de Afdeling. [4] Tevens heeft zij gevraagd de voorlopige voorzienig te treffen om de behandeling van dit (hoger) beroep in Nederland te mogen afwachten. Omdat tegen de uitspraak van 2 maart 2026 geen hoger beroep kan worden ingesteld en slechts het rechtsmiddel verzet openstaat, heeft de Afdeling de e-mail van opposante van 15 maart 2026 als verzet doorgestuurd naar deze rechtbank en zittingsplaats.
1.4.
Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van 31 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat verzoekster, thans opposante, niet mag worden overgedragen aan Franrijk totdat is beslist op het verzet.
1.5.
In deze uitspraak beslist de rechtbank op dat verzet.
1.6.
De rechtbank heeft het verzet op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: opposante en de gemachtigde van geopposeerde. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Awb biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. [5] In de uitspraak van 2 maart 2026 staat dat de reden hiervoor is dat de rechtbank oordeelt dat ten aanzien van Frankrijk kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verder heeft de rechtbank in deze uitspraak overwogen dat de minister in de omstandigheid dat eiseres in Frankrijk is verkracht geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich te trekken, dat het beroep op het arrest Tarakhel niet slaagt omdat onvoldoende is gebleken van kwetsbaarheid als bedoeld in dat arrest en dat de minister de belangen van de minderjarige kinderen voldoende bij de besluitvorming heeft betrokken.
Gronden van verzet
3. Opposante voert in verzet aan dat geopposeerde de normale Dublin wetgeving niet heeft gevolgd bij het nemen van de beslissing op haar (asiel)aanvraag en dat geopposeerde het medische dossier van opposante niet heeft onderzocht of beoordeeld. Opposante verzoekt de rechtbank haar medische dossier te herzien, omdat opposante ziek is en momenteel niet naar Frankrijk kan worden overgebracht. Opposante heeft een overzicht van journaalregels uit het medisch dossier van haarzelf en haar jongste kind overgelegd.
Verder voert opposante aan dat zij een bewijs van de brief heeft die zij in Franrijk van de Franse autoriteiten heeft gekregen, waarin haar is verzocht het land te verlaten. Opposante stelt dat zij dit bewijs aanvankelijk niet aan de rechtsbank heeft overgelegd, maar heeft dat die brief in deze procedure alsnog overgelegd.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
4.1.
Verzet, als bedoeld in artikel 8:55 van Pro de Awb, gaat uitsluitend over de vraag of de rechtbank ten onrechte tot behandeling van de zaak zonder zitting is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van - in dit geval - het beroep van opposante. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in het geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan moet de verzetsrechter het verzet gegrond verklaren zodat nader onderzoek kan plaatsvinden. [6]
4.2.
Uit de door opposante overgelegde brief van de Franse autoriteiten van 29 oktober 2024, waaruit volgt dat eiseres de opvang in Bourges moest verlaten, en het overzicht van journaalregels uit het medische dossier van opposante en haar jongste kind, kan niet worden afgeleid dat in het geval van eiseres ten aanzien van Frankrijk niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dit betekent dat wat opposante in verzet heeft aangevoerd, geen grond biedt voor twijfel aan de juistheid van de uitkomst van de uitspraak van 2 maart 2026. Dit leidt daarom ook niet tot de conclusie dat eiseres voorafgaand aan die uitspraak door de rechtbank had moeten worden gehoord. De niet nader onderbouwde stelling dat geopposeerde zich niet aan Dublinverordening zou hebben gehouden, kan opposante niet baten. Hiervan is de rechtbank namelijk niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

5. In wat opposante heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 2 maart 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 2 maart 2026 in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op 13 april 2026.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.NL26.5069.
3.Dat kan op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Vgl. de uitspraak van de ABRvS van 16 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3791.
6.Vgl. de uitspraak van de ABRvS van 21 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:870