Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8778

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
NL26.14068
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag Iran met besluitmoratorium

Belanghebbende heeft op 31 augustus 2024 asiel aangevraagd in Nederland en stelt de Iraanse nationaliteit te bezitten. De minister van Asiel en Migratie heeft niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden op de aanvraag beslist, waardoor belanghebbende op 22 februari 2026 een ingebrekestelling heeft gestuurd en op 13 maart 2026 beroep instelde wegens het niet tijdig beslissen.

De rechtbank stelt vast dat de ingebrekestelling geldig is en het beroep gegrond. De normale beslistermijn van zes maanden was verstreken zonder besluit, en belanghebbende heeft de vereiste wachttijd in acht genomen. De rechtbank draagt de minister op om binnen twee weken na de uitspraak alsnog een besluit te nemen.

Echter is er een besluit- en vertrekmoratorium ingesteld per 24 maart 2026 voor asielaanvragen van Iraanse vreemdelingen, waardoor de beslistermijn met maximaal 21 maanden wordt verlengd. De rechtbank acht dit een bijzonder geval en legt daarom een verlengde beslistermijn op tot 31 mei 2026.

Daarnaast wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van €467 voor de rechtsbijstand van belanghebbende. De uitspraak is gedaan door rechter Gielen en griffier Kwakman.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen uiterlijk 31 mei 2026 een besluit te nemen met oplegging van een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.14068
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[belanghebbende] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. A. Berends),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Belanghebbende heeft beroep ingesteld.
Verweerder heeft de gelegenheid van verweer gehad.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Overwegingen

1. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [2]
2. Belanghebbende heeft op 31 augustus 2024 asiel aangevraagd in Nederland en stelt de Iraanse nationaliteit te bezitten. Belanghebbende heeft verweerder op 22 februari 2026 in gebreke gesteld waarna hij op 13 maart 2026 in beroep is gegaan wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Nederland is op 1 november 2024 verantwoordelijk geworden voor de behandeling van de asielaanvraag. In beginsel beslist verweerder binnen zes maanden op een asielaanvraag. Dat betekent dat verweerder uiterlijk op 1 mei 2025 op de asielaanvraag had moeten beslissen. Deze termijn is verstreken, zonder dat verweerder een besluit heeft genomen. De ingebrekestelling is geldig. Vervolgens heeft belanghebbende twee weken gewacht voordat hij beroep heeft ingesteld. Het beroep is dus gegrond.
3. Als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen. [3]
4. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat verweerder met ingang van 24 maart 2026 een besluit- en vertrekmoratorium voor asielaanvragen voor personen afkomstig uit Iran heeft ingesteld. [4] Op grond van artikel 1 van Pro het besluit tot instelling van het besluitmoratorium wordt de beslistermijn voor asielaanvragen van uit Iran afkomstige vreemdelingen verlengd met een jaar tot ten hoogste 21 maanden.
5. De rechtbank overweegt dat het besluit- en vertrekmoratorium een dergelijke bijzonder geval betreft om in beginsel een andere termijn dan bovengenoemde twee weken op te leggen omdat tijdens de geldigheid daarvan het nemen van de beslissing op de aanvragen in die periode is uitgesteld. [5] De maximale beslistermijn van 21 maanden verstrijkt in deze zaak op 31 mei 2026. De rechtbank ziet daarom aanleiding om een nadere beslistermijn op te leggen tot en met 31 mei 2026.
6. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- draagt verweerder op om uiterlijk op 31 mei 2026 een besluit op de aanvraag bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder aan belanghebbende een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; en,
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 467,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter,
in aanwezigheid van mr. E.P.W. Kwakman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
3.Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
4.Staatscourant 2026, 11158.
5.Zie de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21535.