ECLI:NL:RBDHA:2025:21535

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
NL24.46265 en NL24.46267
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 ProcedurerichtlijnArt. 43 VreemdelingenwetArt. 8:55d AwbArt. 8:72 AwbArt. 47 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslistermijn asielaanvragen en toepasselijkheid besluit- en vertrekmoratorium

Eisers, een moeder en haar dochter, hebben afzonderlijk asiel aangevraagd en beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op hun aanvragen. De minister stelde dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn vanwege samenhang met een eerder gegrond verklaard beroep van de moeder, maar de rechtbank oordeelt dat procesbelang blijft bestaan zolang niet op de aanvragen is beslist.

De minister voerde subsidiair aan dat de beslistermijn verlengd is met het besluit- en vertrekmoratorium, waardoor de termijn zou zijn opgerekt tot maximaal 21 maanden. De rechtbank stelt vast dat dit moratorium slechts een uitstel van beslissing inhoudt en geen verlenging van de beslistermijn, conform artikel 31 van Pro de Procedurerichtlijn en artikel 43 van Pro de Vreemdelingenwet.

Omdat de beslistermijn van zes maanden voor eisers al was verstreken vóór het ingaan van het moratorium, is de ingebrekestelling geldig en zijn de beroepen gegrond. De rechtbank draagt de minister op binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog te beslissen en legt een verhoogde dwangsom op van €250 per dag met een maximum van €37.500. Tevens worden proceskosten aan eisers toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de minister moet binnen twee weken beslissen en een dwangsom wordt opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.46265 en NL24.46267
[V-Nummers]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] (eiseres) en [eiser] (eiser), hierna samen: eisers

(gemachtigde: mr. A.M. van Eik),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op hun asielaanvraag.
De minister heeft op 3, 19 en 26 september 2025 een verweerschrift ingediend. Eisers hebben op de verweerschriften van 3 en 19 september 2025 gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 29 september 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van eisers is verschenen. De minister is met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiseres is de dochter van eiser en zij hebben op 5 mei 2024 afzonderlijk van elkaar een asielaanvraag ingediend. Eisers hebben de minister op 7 november 2024 in gebreke gesteld, waarna zij op 22 november 2024 in beroep zijn gegaan wegens het niet tijdig beslissen op de aanvragen.
2. De minister voert in zijn verweerschriften van 3 en 19 september 2025 aan dat de beroepen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Volgens de minister is er sprake van samenhang tussen eisers en de moeder, dan wel echtgenote. De minister schrijft dat zij een gezin vormen, samen naar Nederland zijn gereisd, hun asielaanvragen gelijktijdig hebben ingediend en gelijkluidende asielmotieven hebben. Het beroep van de moeder, dan wel echtgenote, is op 10 juni 2025 [1] gegrond verklaard. In deze uitspraak is de minister opgedragen om binnen zestien weken alsnog een besluit bekend te maken, dus uiterlijk op 30 september 2025, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 7.500,-. Volgens de minister is er daardoor in deze beroepen geen sprake meer van procesbelang, omdat de rechtbank zich al heeft uitgesproken over het geschil.
2.1
Op de zitting hebben eisers gesteld dat geen sprake is van samenhang met de zaak van de moeder, dan wel echtgenote, omdat zij een verschillend asielrelaas hebben. De rechtbank is van oordeel dat eisers dit onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt. Zo is er niet toegelicht in welke zin de asielrelazen van elkaar verschillen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat zij hetzelfde asielrelaas hebben. Eisers behoren tot hetzelfde gezin als de moeder, dan wel echtgenote, waardoor in beginsel sprake is van samenhang.
2.2
De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat er geen sprake zou zijn van procesbelang niet. Zo volgt uit rechtspraak van de Afdeling [2] dat procesbelang in beginsel blijft bestaan, zolang er niet op een aanvraag is beslist. [3] Daarnaast is de opgelegde beslistermijn van zestien weken uit de uitspraak van 10 juni 2025 op 30 september 2025 verstreken. Niet is gebleken dat de minister op de aanvragen van eisers heeft beslist. De rechtbank oordeelt daarom dat nog steeds sprake is van procesbelang.
3. De minister heeft in zijn verweerschriften van 3 en 26 september 2025 subsidiair aangevoerd dat de beslistermijn voor de asielaanvragen van eisers is verlengd met het besluit- en vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Syrië. [4] De minister schrijft dat de beslistermijn hiermee is verlengd met een jaar tot ten hoogste 21 maanden. Hij verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling [5] , waarin is bepaald dat het niet in strijd is met de Procedurerichtlijn [6] dat een besluit op een individuele aanvraag uitgesteld kan worden, waarbij het besluit- en vertrekmoratorium geldt voor alle vreemdelingen die onder het toepassingsbereik van dat besluit vallen en een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel hebben lopen waarop nog niet is beslist. Verder schrijft de minister in zijn verweerschrift van 26 september 2025 dat in de Procedurerichtlijn niet staat opgenomen met welke termijn de beslistermijn verlengd mag worden, zolang zij met het besluit maar binnen de uiterste termijn van 21 maanden blijven. Volgens de minister mocht de beslistermijn dan ook worden verlengd.
3.1
De rechtbank stelt als eerste vast dat de bevoegdheid tot het instellen van een besluit- en vertrekmoratorium zoals volgt uit artikel 43 van Pro de Vreemdelingenwet een implementatie is van artikel 31, vierde lid van de Procedurerichtlijn. Eisers doen beroep op laatstgenoemde bepaling en stellen dat artikel 43 van Pro de Vreemdelingenwet daarmee in strijd is. De vraag is in hoeverre eisers een rechtstreeks beroep op deze bepaling uit de Procedurerichtlijn toekomt.
3.2
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie [7] moet de uitvoering van een richtlijn de volledige toepassing ervan verzekeren. Het Hof van Justitie heeft overwogen dat de vaststelling van nationale maatregelen die een richtlijn naar behoren uitvoeren, niet betekent dat de richtlijn geen gevolgen meer heeft, en dat een lidstaat ook na vaststelling van deze maatregelen gehouden blijft daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn te verzekeren. Daarom kunnen particulieren zich voor de nationale rechter tegenover de staat beroepen op bepalingen van een richtlijn die inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende precies zijn. Dit kan in alle gevallen waarin de volledige toepassing van de richtlijn niet daadwerkelijk verzekerd is, en dus ook in geval van onjuiste uitvoering van de richtlijn. [8]
3.3
De rechtbank overweegt dat artikel 31, vierde lid van de Procedurerichtlijn blijkens de tekst van de bepaling een bevoegdheid voor lidstaten in het leven roept. Deze bepaling is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk, zodat eisers zich daarop kunnen beroepen.
3.4
De rechtbank is verder van oordeel dat de onder 3. gegeven uitleg van de minister niet gevolgd kan worden en overweegt daartoe als volgt. In artikel 31, derde lid, van de Procedurerichtlijn staat opgenomen dat de asielprocedure in beginsel zes maanden bedraagt. In ditzelfde lid staan drie situaties opgenomen wanneer de beslistermijn kan worden
verlengd. Het besluit- en vertrekmoratorium zoals opgenomen in artikel 43 van Pro de Vreemdelingenwet is zoals eerder overwogen echter gebaseerd op het vierde lid van dit artikel. Daarin wordt niet gesproken over een
verlenging, maar over de mogelijkheid om het nemen van de beslissing
uit te stellenin het geval van een onzekere situatie in een land van herkomst. In de Engelse taalversie wordt in het derde lid gesproken over
extenden in het vierde lid over
postpone. In de Franse taalversie wordt in het derde lid gesproken over
prolongeren in het vierde lid over
différer. In de Duitse taalversie wordt in het derde lid gesproken over
verlängernen in het vierde lid over
aufschieben. Uitstellen, postpone, différer en aufschieben is wat anders dan verlengen, extend, prolonger en verlängern. Uitgaande van deze grammaticale uitleg mocht de minister het nemen van de beslissing slechts uitstellen. Hoewel in artikel 43 van Pro de Vreemdelingenwet wordt gesproken over het
verlengenvan de beslistermijn, brengt een richtlijnconforme uitleg met zich mee dat dit uitgelegd moet worden als
uitstellen.Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de beslistermijn met het besluit- en vertrekmoratorium niet kan worden verlengd, maar hoogstens dat de beslissing kan worden uitgesteld zolang het besluit- en vertrekmoratorium geldt.
3.5
Als de uitleg van de minister over de verlenging van de beslistermijn gevolgd zou worden, dan zou er een beslistermijn van achttien maanden gelden voor de asielaanvragen die onder het besluit- en vertrekmoratorium vallen. Voor de asielaanvragen die één dag na intrekking van het besluit- en vertrekmoratorium zijn ingediend, zou dan een beslistermijn van zes maanden gelden. Dit zou betekenen dat er op een latere asielaanvraag eerder zou moeten worden beslist. De rechtbank acht deze uitleg niet logisch, onwenselijk en in strijd met het uitgangspunt van artikel 31, tweede lid van de Procedurerichtlijn dat bepaalt dat lidstaten ervoor zorgen dat de behandelingsprocedure zo spoedig mogelijk wordt afgerond.
4. De rechtbank concludeert dan ook dat de beslistermijn voor eisers zes maanden bedroeg. Het besluit- en vertrekmoratorium is op 11 december 2024 in werking getreden en op 10 juni 2025 ingetrokken. In het geval van eisers was de beslistermijn van zes maanden echter al verstreken op 5 november 2024, oftewel voordat het beslis- en vertrekmoratorium in werking trad. De ingebrekestelling van 7 november 2024 is dus geldig. Eisers hebben vervolgens minimaal twee weken gewacht voordat zij op 22 november 2024 afzonderlijk beroep hebben ingesteld. De beroepen zijn dus gegrond.
Welke beslistermijn moet aan de minister worden opgelegd?
5. Als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen. [9]
6. De rechtbank overweegt dat het besluit- en vertrekmoratorium een dergelijke bijzonder geval betreft om in beginsel een andere termijn dan bovengenoemde twee weken op te leggen omdat tijdens de geldigheid daarvan het nemen van de beslissing op de aanvragen in die periode is uitgesteld. Het besluit- en vertrekmoratorium is echter op 10 juni 2025 ingetrokken en vanaf dat moment is de minister weer in staat om op de aanvragen te beslissen. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de minister met de uitspraak van 10 juni 2025 [10] in de zaak van de moeder, dan wel echtgenote uitdrukkelijk is opgedragen te beslissen op de aanvraag van eisers, maar dat nog steeds niet heeft gedaan. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die daaraan sindsdien in de weg hebben gestaan. Dat betekent dat de rechtbank nu de standaardtermijn van twee weken aan de minister oplegt om te beslissen op de aanvragen.
Wat is de hoogte van de rechterlijke dwangsom?
7. De rechtbank volgt de uitspraak van 30 november 2022 [11] waarin artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, voor zover daarin is bepaald dat artikel 8:72, zesde lid, van de Awb niet van toepassing is op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, onverbindend is verklaard wegens strijd met artikel 47 van Pro het Handvest. [12] Net als in die uitspraak, betekent het voorgaande ook in deze zaak dat de rechtbank wél overeenkomstig artikel 8:72, zesde lid, van de Awb een (rechterlijke) dwangsom kan opleggen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat de minister een nadere dwangsom van € 250,- aan eisers gezamenlijk is verschuldigd voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 37.500,-. De rechtbank kiest voor een hogere dwangsom dan gebruikelijk, omdat de minister zich niet heeft gehouden aan de opdracht van de rechtbank van 10 juni 2025 om uiterlijk op 30 september 2025 te beslissen op de aanvraag. Deze dwangsom gaat lopen nadat de dwangsom uit de uitspraak van 10 juni 2025 is volgelopen, dus vanaf 15 december 2025.
8. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eisers gemaakte proceskosten die zij in verband met de behandeling van hun (als samenhangende zaak aan te merken) beroepen redelijkerwijs hebben gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- draagt de minister op
binnen twee wekenna de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvragen te nemen;
- bepaalt dat de minister aan eisers gezamenlijk een dwangsom van € 250,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-; en,
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van
M.A. van Garder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.NL24.46268, niet gepubliceerd.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Staatscourant van 13 december 2024, nr. 41538.
6.Richtlijn 2013/32/EU.
7.Hof van Justitie van de Europese Unie.
8.Zie bijvoorbeeld het arrest van 11 juli 2002, in de zaak Marks & Spencer, C-62/00, overweging 26 en 27.
9.Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
10.NL24.46268, niet gepubliceerd.
12.Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.