Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:870

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
NL23.27149 en NL23.27150
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822artikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugkeerbesluit en tijdelijke bescherming in asielzaak

Eiser, een Ghanees met tijdelijk verblijf in Oekraïne, kreeg een terugkeerbesluit opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Hij maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde onder meer aan dat de beëindiging van zijn tijdelijke bescherming onrechtmatig was en dat het terugkeerbesluit in strijd was met artikel 8 EVRM Pro en het verbod op refoulement.

De rechtbank oordeelt dat de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming rechtmatig was, verwijzend naar eerdere uitspraken van de hoogste bestuursrechter. Tevens had eiser op het moment van het bestreden besluit geen rechtmatig verblijf meer in Nederland, waardoor het terugkeerbesluit terecht is opgelegd.

De rechtbank wijst het beroep af en overweegt dat het terugkeerbesluit niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro. Ook is onvoldoende onderbouwd dat terugkeer naar Ghana een schending van het verbod op refoulement oplevert. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de hoofdzaak is beslist.

Tot slot veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten aan eiser wegens het intrekken en vervangen van het eerdere terugkeerbesluit.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.27149 en NL23.27150
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening.

1.1
Verweerder heeft met het besluit van 29 augustus 2023 aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat hij binnen vier weken na 4 september 2023 Nederland dient te verlaten. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1.2
Bij bericht van 5 februari 2024 heeft verweerder laten weten dat hij het terugkeerbesluit van 29 augustus 2023 heeft ingetrokken. Op 21 maart 2024 is onder verwijzing naar het voornemen van 4 september 2023 een nieuw terugkeerbesluit opgelegd (het bestreden besluit). Met inachtneming van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het op 3 september 2023 ingediende beroep en de aanvullende gronden van 4 maart 2024 van rechtswege mede betrekking op het terugkeerbesluit van 21 maart 2024.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld.
Hieraan heeft alleen de gemachtigde van eiser deelgenomen. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2000 en heeft de Ghanese nationaliteit. Hij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming [1] (hierna: RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit. [2]
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser voert, onder verwijzing naar een annotatie van Carolus Grütters bij de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 23 april 2025 [3] aan dat de hoogste bestuursrechter niet heeft voldaan aan de opdracht van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). Uit de arresten van het Hof [4] , volgt namelijk dat het Hof niet weet of de Nederlandse autoriteiten de toezegging hebben gedaan de facultatieve tijdelijke bescherming niet te beëindigen voordat de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer zou hebben. Het Hof heeft de verwijzende rechters opgedragen om na te gaan of een dergelijke toezegging is gedaan. De hoogste bestuursrechter is hierop in het geheel niet ingegaan. Het terugkeerbesluit is daarnaast in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM, [5] nu eiser zijn privéleven niet meer kan uitoefenen in Nederland. Ten slotte heeft verweerder onvoldoende onderzocht of het terugkeerbesluit een schending van het verbod op refoulement oplevert, zoals bedoeld in het Ararat-arrest van 17 oktober 2024. [6] Ten onrechte heeft verweerder eiser niet gehoord.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
De beëindiging van de tijdelijke bescherming
4.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder de aan hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming niet heeft kunnen beëindigen per 4 maart 2024. De hoogste bestuursrechter heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 [7] , onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 17 januari 2024 [8] , geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen, ook niet in de enkele verwijzing naar het artikel van Carolus Grütters.

Mocht verweerder een terugkeerbesluit opleggen?

5.
Uit de uitspraak van de hoogste bestuursrechter [9] en het arrest Kaduna en Abkez [10] volgt dat verweerder geen terugkeerbesluit kan opleggen wanneer een vreemdeling (nog) rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Dat geldt ook voor de situatie waarin een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming. De rechtbank stelt echter vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had op 21 maart 2024 en verweerder daarom bevoegd en verplicht was om een terugkeerbesluit op te leggen.
6. De rechtbank is verder van oordeel dat het terugkeerbesluit niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Allereerst merkt de rechtbank in dit kader op dat uit de RTB niet voortvloeit dat verweerder bij de uitvoering hiervan ook ambtshalve moet beoordelen of een vreemdeling in aanmerking komt voor verblijf op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Daarbij komt dat een ambtshalve toetsing aan artikel 8 van Pro het EVRM ook niet aansluit bij de aard van de RTB en de mogelijkheid om snel beslissingen te nemen ter voorkoming van het overbelasten van de asielstelsels. In zoverre wijst verweerder er terecht op dat wanneer eiser meent dat hij een verblijfsrecht ontleent aan het recht op familie- of gezinsleven dan wel privéleven, zoals dat volgt uit artikel 8 van Pro het EVRM, hij een daartoe strekkende aanvraag kan indienen.
Non-refoulement
7. Ten aanzien van eisers betoog dat verweerder bij het opleggen van het terugkeerbesluit uitgebreider had moeten onderzoeken en beoordelen of eiser bij terugkeer naar Ghana te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met het verbod op refoulement, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft niet gesteld en onderbouwd dat hij vreest voor vervolging of schending van zijn mensenrechten bij terugkeer naar Ghana. Weliswaar heeft eiser op 8 augustus 2022 een asielaanvraag ingediend, maar uit een bericht van verweerder van 18 april 2023 blijkt dat eiser heeft laten weten dat hij zijn asielaanvraag wil intrekken. De asielprocedure is vervolgens beëindigd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
8. De rechtbank overweegt ten slotte dat verweerder af heeft kunnen zien van het horen van eiser. Uit arresten van het Hof van Justitie volgt dat eiser in staat moet worden gesteld om zijn standpunten over het terugkeerbesluit kenbaar te maken alvorens dat wordt opgelegd. [11] De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser daartoe voldoende in staat heeft gesteld, nu hij met een zienswijze heeft kunnen reageren op het voornemen van verweerder om een terugkeerbesluit op te leggen. Eiser heeft op 28 juli 2023 en op 22 augustus 2023 van die gelegenheid gebruik gemaakt. Het is de rechtbank daarbij niet duidelijk welke informatie verweerder volgens eiser niet heeft kunnen betrekken in de besluitvorming door eiser niet te horen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Het terugkeerbesluit van 21 maart 2024 is op goede gronden genomen. Er zijn geen belangen gesteld of gebleken die aanleiding geven tot een beoordeling van het ingetrokken terugkeerbesluit van 29 augustus 2023 als bedoeld in artikel 6:19, zesde lid, van de Awb.
10. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
11. Nu verweerder het besluit waartegen eiser beroep had ingesteld, heeft ingetrokken en vervangen door het besluit van 21 maart 2024, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in het vergoeden van de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,-. [12]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. N. Bagheri, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822.
3.Uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829/1827/1836.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2025:1829/1827/1836.
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.ECLI:EU:C:2024:892, 17 oktober 2024.
7.Uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829, ECLI:NL:RVS:2025:1827 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.
8.Uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32.
9.Uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.
10.ECLI:EU:C:2024:1038.
11.Zie het arrest K.A. van 8 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:308 en het arrest X. van 22 november 2022, ECLI:EU:C:2022:913.
12.1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.