ECLI:NL:RBDHA:2026:8561

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
NL26.16441
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling wegens onrechtmatigheid en vormfouten afgewezen

Eiser, van Algerijnse nationaliteit, werd op 22 maart 2026 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie. Eiser stelde dat een eerdere maatregel onrechtmatig was vanwege een te lange duur van inbewaringstelling en dat dit doorwerkte in de huidige maatregel. De minister erkende onrechtmatigheid van de eerdere maatregel van 16 tot 22 maart 2026 en bood schadevergoeding aan voor zeven dagen onrechtmatige inbewaring.

De rechtbank oordeelde dat deze onrechtmatigheid niet leidde tot een ernstige schending van het recht op vrijheid en derhalve niet doorwerkt in de huidige maatregel. Daarnaast stelde eiser subsidiair dat vormfouten waren gemaakt, zoals het overbrengen naar een politiecel die niet speciaal voor vreemdelingen is ingericht en het niet informeren van zijn gemachtigde over de omzetting. De rechtbank vond deze bezwaren onvoldoende om de maatregel onrechtmatig te achten.

De gronden voor de maatregel van bewaring, waaronder risico op ontduiking van toezicht en belemmering van uitzettingsprocedure, werden als feitelijk juist en voldoende gemotiveerd beoordeeld. De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16441

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Ajouaou. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2007.
Doorwerking onrechtmatigheid
2. Eiser voert aan dat voorafgaand aan de huidige maatregel sprake is geweest van een onrechtmatige maatregel wegens niet tijdige omzetting van de maatregel. In de brief van 26 maart 2026 biedt de minister eiser schadevergoeding aan voor zeven dagen onrechtmatige inbewaringstelling. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat deze onrechtmatigheid de huidige maatregel onrechtmatig maakt gelet op de lange duur van de onrechtmatige inbewaringstelling.
3. De rechtbank overweegt als volgt. De voorafgaande maatregel is op 8 maart 2026 aan eiser opgelegd op grond van artikel 59a van de Vw en deze is op 22 maart 2026 opgeheven vanwege een nieuwe inbewaringstelling. Uit de brief van de minister van 26 maart 2026 blijkt – zoals ook door de gemachtigde van de minister op de zitting is bevestigd – dat eiser van 16 maart 2026 tot en met 22 maart 2026 onrechtmatig in bewaring heeft gezeten. De minister kent daarom een schadevergoeding voor deze periode van zeven dagen toe en is ook bereid de proceskosten te vergoeden. Nu de minister schriftelijk heeft erkend dat de voorafgaande maatregel zeven dagen onrechtmatig heeft voortgeduurd en hiervoor schadevergoeding heeft aangeboden, mag de rechtbank uitgaan van de onrechtmatigheid hiervan [1] . Niet in geschil is dus dat eiser zeven dagen onrechtmatig in bewaring heeft gezeten. De rechtbank is van oordeel dat daarmee echter geen sprake is van een ernstige schending van het aan eiser toekomende recht om in vrijheid te worden gesteld, zodat de onrechtmatigheid van de voorafgaande maatregel in dit geval niet doorwerkt in de huidige maatregel. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 september 2023 [2] , waarin een vrijheidsontneming op een onjuiste wettelijke grondslag van negen dagen niet heeft geleid tot een ernstige schending. De beroepsgrond slaagt niet.
Onrechtmatigheid van de maatregel
4. Eiser stelt zich subsidiair op het standpunt dat de minister een aantal vormfouten heeft gemaakt waardoor de maatregel onrechtmatig dient te worden geacht. Voorafgaand aan de huidige maatregel zat eiser al in bewaring in het detentiecentrum [plaats 1] , een speciale inrichting voor vreemdelingen. Op 22 maart 2026 is eiser naar het Politie Cellen Complex (PCC) in [plaats 2] vervoerd vanwege de omzetting van de maatregel. Echter is het PCC niet speciaal voor vreemdelingen ingericht en bevindt zich in het dossier geen rechtvaardiging voor het feit dat eiser, als vreemdeling, naar het PCC is overgebracht. Verder stelt eiser dat het bekend is dat mr. Senczuk zijn gemachtigde is. Desondanks is mr. Senczuk niet ingelicht over de omzetting van de maatregel. Bij de piketmelding is ook ten onrechte ‘nee’ vermeld bij de vraag of er eerder contact is geweest met een raadsman. Het is slechts toeval dat eisers zaak uiteindelijk bij mr. Senczuk terecht is gekomen omdat zijn kantoorgenoot mr. Drenth op dat moment piketdienst had en de melding heeft geaccepteerd.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier blijkt dat er door de hulpofficier van justitie een “Lichtingsverzoek inbewaringgestelde vreemdeling” is gedaan. Op dit verzoek is vermeld dat eiser op 22 maart 2026 om 10.00 uur gelicht zou worden en dat hij op 22 maart 2026 om 17.00 – en dus binnen 24 uur – weer terug zou keren naar het detentiecentrum. De rechtbank ziet hierin geen reden voor het oordeel dat de maatregel daarom onrechtmatig zou zijn. Verder blijkt uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van gehoor voor inbewaringstelling dat eiser heeft verklaard dat hij geen advocaat bij het gehoor wenste, maar dat hij wel rechtsbijstand gedurende de verdere procedure wilde. Eiser heeft ook geen voorkeursadvocaat opgegeven. De gehoormedewerker heeft desondanks een piketmelding verzonden. Deze piketmelding is geaccepteerd door mr. Drenth, een kantoorgenoot van mr. Senczuk. Mr. Drenth is ook aanwezig geweest bij het gehoor voor inbewaringstelling. Ondanks dat in de piketmelding ‘nee’ is vermeld bij de vraag of er eerder contact is geweest met een raadsman, is de rechtbank bij deze stand van zaken van oordeel dat eiser niet in zijn verdedigingsbelang is geschaad. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
6. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring niet zijn
betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden, met uitzondering van de lichte grond 4d, feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Ambtshalve toetsing
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de
rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het
onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
3 april 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.