Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8381

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
694839
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 79 WKVArt. 6:75 BWArt. 143 RvArt. 35 lid 1 sub a WKVArt. 46 lid 1 WKV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Leveringsvordering en dwangsom bij niet-nakoming koopovereenkomst trucks

Partijen sloten medio 2021 een koopovereenkomst waarbij [handelsnaam] trucks aan Alga zou leveren. [handelsnaam] kwam slechts gedeeltelijk na en leverde medio 2025 drie trucks niet. Alga dagvaardde [handelsnaam], die verstek liet verlenen. Bij verstekvonnis werd [handelsnaam] veroordeeld tot levering en dwangsom.

[handelsnaam] stelde verzet in en voerde overmacht aan wegens de oorlog in Oekraïne en financiële problemen. De rechtbank oordeelde dat de oorlog al bekend was bij het sluiten van de koopovereenkomst 2024 en dat geldnood geen overmacht vormt. Het beroep op overmacht faalde.

De rechtbank verhoogde de dwangsom omdat de eerdere onvoldoende prikkel vormde. Het verstekvonnis werd vernietigd en de rechtbank deed opnieuw recht: [handelsnaam] moet binnen twee weken leveren, onder verbeurte van een verhoogde dwangsom, en is veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt [handelsnaam] tot levering van drie trucks, verhoogt de dwangsom en wijst het beroep op overmacht af.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/694839 / HA ZA 25-1029
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van
[opposante] B.V., handelend onder de naam
[handelsnaam], te [vestigingsplaats] ,
opposante,
oorspronkelijk gedaagde,
advocaat: mr. G. Barendregt te Alphen aan den Rijn,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
FIRMA ALGA NUTZFAHRZEUG- UND BAUMACHINEN GMBH & CO. KG, te Sittensen, Bondsrepubliek Duitsland,
geopposeerde,
oorspronkelijk eiseres,
advocaat: mr. J. Visser te Dordrecht.
Partijen worden hierna [handelsnaam] en Alga genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van Alga van 4 augustus 2025, met producties 1 tot en met 4;
  • het verstekvonnis van de rechtbank Den Haag (zaak- / rolnummer C/09/690173 / HA ZA 25-717) van 1 oktober 2025 (hierna: het verstekvonnis);
  • de verzetdagvaarding van [handelsnaam] van 17 november 2025, met één productie.
1.2.
Op 3 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Daarbij was namens [handelsnaam] de heer [naam 1] aanwezig, bijgestaan door mrs. Ayerdem en Barendregt, en namens Alga de heer [naam 2] , bijgestaan door een tolk en mr. Visser. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[handelsnaam] handelt in wegtransportmiddelen en de onderdelen hiervoor.
2.2.
Alga handelt in nieuwe en gebruikte bedrijfsvoertuigen en bouwmachines.
2.3.
Medio 2021 hebben partijen een koopovereenkomst gesloten, waarbij [handelsnaam] trucks, opleggers en diverse aanverwante zaken aan Alga heeft verkocht (hierna: koopovereenkomst 2021).
2.4.
[handelsnaam] is haar leveringsverplichting op grond van de koopovereenkomst 2021 slechts gedeeltelijk nagekomen. Met toestemming van [handelsnaam] heeft Alga zich langs andere weg de niet geleverde zaken die voorwerp van de koopovereenkomst 2021 vormen verschaft.
2.5.
Tegen het einde van 2024 stond [handelsnaam] ’s verplichting op grond van de koopovereenkomst 2021 tot levering van een aantal trucks van het merk Mercedes Benz SZM, type 4048 S 6 x 4 en volgens de in de koopovereenkomst 2021 bepaalde uitrusting nog open.
2.6.
Bij overeenkomst van december 2024 (hierna: koopovereenkomst 2024) hebben partijen een regeling getroffen die uitsluitend betrekking heeft op het deel van de koopovereenkomst 2021 dat nog door [handelsnaam] moet worden geleverd. De overige bepalingen van de koopovereenkomst 2021 zijn onverkort van kracht gebleven.
2.7.
In de koopovereenkomst 2024 is, voor zover hier van belang, opgenomen:
Artikel 1:
Abweichend von dem Vertrag der Parteien aus dem Jahr 2021 nimmt ALGA von [handelsnaam] nunmehr nur noch drei Fahrzeuge der Marke Mercedes Benz SZM, Typ 4048 S 6 x 4, und ansonsten gemäß der in dem Vertrag von 2021 bestimmten Ausstattung, zu einem Preis von je 116.550,00 € zuzüglich Umsatzsteuer ab. In diesem Preis ist die hälftige Teilung der Preissteigerung enthalten, die diese Fahrzeuge seit Abschluss des Vertrags von 2021 gezeigt haben. Der Gesamtpreis der genannten drei Fahrzeuge beträgt somit 349.550,00 € zuzüglich Umsatzsteuer.
Artikel 2:
Auf den in Artikel 1 genannten Pro Gesamtpreis wird ein Betrag von 335.250,00 € zuzüglich Umsatzsteuer angerechnet. (…)
Artikel 3:
Die Parteien vereinbaren ausdrücklich, dass mit der bereits von ALGA geleisteten Anzahlung vollständige Begleichung der aufgrund dieses Vertrags noch von ALGA an [handelsnaam] geschuldeten Kaufsumme stattgefunden hat. ALGA zahlt somit [handelsnaam] nichts mehr.
Artikel 4:
Die Parteien vereinbaren eine Lieferfrist für die in Artikel 1 genannten Pro Fahrzeuge bis zu spätestens 30.04.2025. [handelsnaam] liefert ab 48691 Vreden.
(…)
Artikel 7:
Auf diesen Vertrag ist das niederländisches Recht anwendbar. Das zuständige niederländische Gericht ist ausschließlich zuständig, über Streitigkeiten im Zusammenhang mit diesem Vertrag zu entscheiden.”
2.8.
Op 27 januari 2025 heeft [handelsnaam] het volgende e-mailbericht, door haar ontvangen op 15 januari 2025, aan Alga doorgestuurd:
“As per your request.
We have got confirmation from Daimler that the 3 trucks are scheduled for second half or end of March production.”
2.9.
[handelsnaam] heeft de drie trucks van het merk Mercedes Benz SZM, type 4048 S 6 x 4 (hierna: de drie trucks) op 30 april 2025 niet aan Alga geleverd.
2.10.
Alga heeft op 12 mei 2025 het volgende e-mailbericht aan [handelsnaam] gestuurd:
“Ik refereer aan de overeenkomst die [opposante] B.V., h.o.d.n. [handelsnaam] in december 2024 met mijn cliënte heeft gesloten (ondertekend op respectievelijk 9 en 5 december 2024), waarin onder meer is vastgelegd dat [handelsnaam] uiterlijk op 30 april 2025 mijn cliënte drie voertuigen van het merk Mercedes Benz SZM, type 4048 S 6 x 4 en overigens volgens het daaromtrent bepaalde in de overeenkomst van partijen van 2021 zal hebben geleverd, plaats van levering 48691 Vreden, Duitsland.
[handelsnaam] heeft deze voertuigen niet op 30 april 2025 geleverd. [handelsnaam] is als gevolg daarvan in verzuim. Mijn cliënte is gerechtigd [handelsnaam] thans reeds in rechte te betrekken wegens deze niet-nakoming van haar contractuele verplichtingen en dit verzuim.
Nochtans geeft mijn cliënte [handelsnaam] een termijn tot en met30 mei 2025om aan haar contractuele verplichtingen jegens mijn cliënte te voldoen, c.q. de genoemde voertuigen aan haar te leveren.
Mocht deze termijn vruchteloos verstrijken, adviseer ik mijn cliënte [handelsnaam] in rechte te betrekken.”
2.11.
[handelsnaam] heeft voorafgaand aan deze verzetprocedure niet aan Alga laten weten dat zij de leveringsverplichting niet kan nakomen. [1]
2.12.
Op 4 augustus 2025 heeft Alga [handelsnaam] gedagvaard en – samengevat – bij vonnis gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad en zonder borgstelling:
  • [handelsnaam] te veroordelen tot levering van de drie trucks aan Alga te 48691 Vreden, Bondsrepubliek Duitsland binnen twee weken na betekening van dit vonnis;
  • een en ander op straffe van een ten gunste van Alga te verbeuren dwangsom van € 10.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [handelsnaam] geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft in de nakoming van deze veroordeling;
  • [handelsnaam] te veroordelen tot schadevergoeding aan Alga, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
  • met veroordeling van [handelsnaam] in de proces- en nakosten.
2.13.
Op 3 september 2025 is verstek verleend tegen [handelsnaam] .
2.14.
Bij verstekvonnis van 1 oktober 2025 heeft deze rechtbank de vorderingen van Alga toegewezen, met dien verstande dat de dwangsom wordt gematigd tot € 2.000 per dag, met een maximum van € 100.000.
2.15.
Het verstekvonnis is op 20 oktober 2025 aan [handelsnaam] betekend.

3.Het geschil

3.1.
[handelsnaam] stelt verzet in en vordert voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
[handelsnaam] te ontheffen van de veroordeling, tegen haar uitgesproken bij vonnis (zaak- / rolnummer C/09/690173 / HA ZA 25-717) door de rechtbank Den Haag op 1 oktober 2025 tussen Alga en [handelsnaam] als gedaagde gewezen met afwijzing van de vorderingen van Alga, althans de gevorderde dwangsom af te wijzen;
Alga te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten van € 135, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
3.2.
Aan haar vorderingen legt [handelsnaam] ten grondslag dat sprake is van overmacht in de zin van artikel 79 van Pro het Weens Koopverdrag (hierna: WKV) [2] en artikel 6:75 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) waardoor zij haar verbintenis blijvend niet kan nakomen. Nu nakoming door [handelsnaam] blijvend onmogelijk is, concludeert [handelsnaam] dat de door Alga gevorderde nakoming dient te worden afgewezen. Dit betekent voorts dat het verzoek om aan de nakoming een dwangsom te verbinden dient te worden afgewezen, omdat de dwangsom geen functie en doel heeft.
3.3.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

[handelsnaam] heeft tijdig verzet ingesteld
4.1.
Op grond van artikel 143 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de gedaagde die bij verstek is veroordeeld, daartegen verzet doen. Op grond van het tweede lid van dat artikel moet het verzet worden gedaan bij exploot van dagvaarding binnen vier weken na de betekening van het vonnis of van enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan de veroordeelde in persoon, of na het plegen door deze van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is.
4.2.
Het verstekvonnis is op 20 oktober 2025 aan [handelsnaam] betekend. [handelsnaam] heeft daartegen op 17 november 2025 tijdig verzet ingesteld.
Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
4.3.
Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat Alga in Duitsland is gevestigd. Daarom moet de rechtbank allereerst beoordelen of zij internationaal bevoegd is om kennis
te nemen van de vorderingen van [handelsnaam] en zo ja, naar welk recht de vorderingen moeten worden beoordeeld.
4.4.
De rechtbank heeft in (r.o. 2.4 van) het verstekvonnis gemotiveerd geoordeeld dat zij internationaal bevoegd is, dat het WKV van toepassing is op de koopovereenkomsten en dat het Nederlands recht van toepassing is voor onderwerpen die niet door het WKV worden bestreken. In verzet zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die aanleiding geven tot een ander oordeel. De rechtbank blijft daarom bij dit oordeel en neemt de daaraan ten grondslag liggende overwegingen over.
Geen overmacht en geen blijvende onmogelijkheid
4.5.
[handelsnaam] heeft de stellingen van Alga niet weersproken, maar beroept zich op overmacht in de zin van artikel 79 WKV Pro en artikel 6:75 BW Pro. [handelsnaam] stelt dat het voor haar blijvend onmogelijk is om de verbintenis tot levering na te komen door omstandigheden die niet aan haar kunnen worden toegerekend en buiten haar risicosfeer vallen. Sinds het uitbreken van de oorlog tussen Oekraïne en Rusland en de daaropvolgende inflatie, zijn de inkoopprijzen voor voertuigen en benodigde componenten zeer sterk gestegen. Deze externe omstandigheden hebben er voorts toe geleid dat [handelsnaam] minder handel kon drijven en daardoor minder omzet kon genereren. Dit alles heeft tot gevolg dat de liquiditeiten van [handelsnaam] in de afgenomen jaren zeer sterk zijn aangetast. [handelsnaam] heeft thans onvoldoende financiële middelen om de drie trucks in te kopen en kan geen financiers vinden en/of verkrijgen om de inkoopprijs van de drie trucks te voldoen. Zij is bereidwillig om na te komen en wil zich daarvoor ook inspannen, maar kan het simpelweg nog niet. Volgens [handelsnaam] dienen de vorderingen van Alga daarom te worden afgewezen.
4.6.
Alga betwist dat sprake is van overmacht, omdat de oorlog tussen Oekraïne en Rusland al bijna drie jaar woedde ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst 2024. Verder betwist Alga dat [handelsnaam] niet over financiële middelen beschikt of daarover geen beschikking kan krijgen. [handelsnaam] heeft de drie trucks immers bij haar leverancier besteld en was dus in staat om te betalen. Bovendien is er volgens Alga geen sprake van blijvende onmogelijkheid tot nakoming, omdat de trucks nog steeds worden geproduceerd.
4.7.
Nu het WKV van toepassing is, daarin is geregeld welke vorderingen Alga in dit geval kan instellen en of [handelsnaam] een beroep op overmacht toekomt, zal de rechtbank de zaak aan de hand van dat verdrag beoordelen.
4.8.
Vaststaat dat [handelsnaam] tekort geschoten is in haar verplichting tot levering van de drie trucks aan Alga. Hierom kan Alga in beginsel veroordeling tot nakoming vorderen, zoals zij doet onder 1) (vgl. art. 35 lid 1 sub a jo Pro. art. 46 lid 1 WKV Pro). Daarnaast kan Alga in beginsel schadevergoeding vorderen, zoals zij doet onder 3) (art. 45 lid 1 sub b jo Pro. art. 74 WKV Pro). [handelsnaam] beroept zich op overmacht als bedoeld in art. 79 WKV Pro. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing bij vorderingen tot nakoming, maar slechts bij vorderingen tot schadevergoeding, zo volgt uit art. 79 lid 5 WKV Pro. Dit brengt strikt genomen mee dat de vordering onder 1) ook kan worden toegewezen als sprake is van overmacht, zij het dat de rechter in een dergelijk geval, aan de hand van andere bepalingen en beginselen van het Verdrag (de goede trouw, gewoonten etc.) kan trachten een aanvaardbare en werkbare oplossing te vinden. [3]
4.9.
De rechtbank zal nagaan of van overmacht in de zin van art. 79 WKV Pro sprake is. Volgens dit artikel is een partij niet aansprakelijk voor een tekortkoming in de nakoming van een van haar verplichtingen, indien zij aantoont dat de tekortkoming werd veroorzaakt door een verhindering die buiten haar macht lag en dat van haar redelijkerwijs niet kon worden verwacht dat zij bij het sluiten van de overeenkomst met die verhindering rekening zou hebben gehouden of dat zij deze of de gevolgen ervan zou hebben vermeden of te boven zou zijn gekomen. Daarbij moet sprake zijn van een verhindering in objectieve zin, derhalve van een objectieve omstandigheid die buiten de schuldenaar ligt. De schuldenaar is verantwoordelijk voor zijn eigen bedrijfsorganisatie en voor zijn personeel. Geldnood is geen omstandigheid die door art. 79 WKV Pro wordt gedekt. [4]
4.10.
Vaststaat dat partijen in december 2024 een tweede koopovereenkomst hebben gesloten, waarin zij zijn overeengekomen dat [handelsnaam] de drie trucks uiterlijk op 30 april 2025 aan Alga zou leveren. Op dat moment was de oorlog tussen Oekraïne en Rusland reeds geruime tijd gaande. De door [handelsnaam] gestelde gevolgen van dit conflict waren derhalve voorzienbaar ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst 2024. Desondanks heeft [handelsnaam] zich bij het sluiten van de koopovereenkomst 2024 verbonden tot levering van de drie trucks, zodat niet kan worden aangenomen dat sprake is van een onvoorzienbare verhindering als bedoeld in artikel 79 WKV Pro. Daar komt bij dat het enkele ontbreken van voldoende financiële middelen op zichzelf geen overmacht in de zin van artikel 79 WKV Pro oplevert. Het beroep op overmacht in de zin van artikel 79 WKV Pro faalt derhalve.
4.11.
De rechtbank kan ook niet vaststellen dat [handelsnaam] nu over onvoldoende financiële middelen beschikt om haar verbintenis tot levering van de drie trucks na te komen. Vaststaat dat [handelsnaam] voorafgaand aan deze procedure niet aan Alga heeft laten weten dat zij niet kan nakomen. [handelsnaam] heeft verder haar stellingen op dit punt in het geheel niet onderbouwd en Alga heeft deze betwist. Daarnaast leidt het enkele ontbreken van financiële middelen, als daar al van moet worden uitgegaan, niet tot blijvende onmogelijkheid tot nakoming.
4.12.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van [handelsnaam] , om haar te ontheffen van de bij verstekvonnis tegen haar uitgesproken veroordelingen, met afwijzing van de vorderingen van Alga, moet worden afgewezen.
Dwangsom
4.13.
Nu [handelsnaam] niet zal worden ontheven van de veroordeling tot nakoming, ziet de rechtbank ook geen aanleiding om de door Alga gevorderde dwangsom af te wijzen. Alga heeft ter zitting aangevoerd dat de dwangsom zoals toegewezen in het verstekvonnis onvoldoende is en heeft de rechtbank verzocht om de dwangsom te verhogen zoals in de oorspronkelijke dagvaarding gevorderd, met een maximum van € 350.000.
4.14.
Om doelmatigheidsredenen vat de rechtbank in deze verzetprocedure het betoog van Alga op als een verzoek om terug te komen op een bindende eindbeslissing. [5] [handelsnaam] is ter zitting in de gelegenheid geweest op dit verzoek te reageren en zij heeft dat niet gedaan.
4.15.
De rechtbank is van oordeel dat de (in afwijking van het voorstel respectievelijk de vordering van Alga) [6] in het verstekvonnis vastgestelde dwangsom onvoldoende prikkel vormt om [handelsnaam] tot nakoming te bewegen. [handelsnaam] is nog niet tot nakomen te bewegen en het vastgestelde maximum ligt (aanzienlijk) onder het met nakoming voor Alga gemoeide financiële belang (vgl. r.o. 2.7). Hieruit volgt dat in zoverre sprake is van een (niet aan Alga te wijten) onjuiste juridische grondslag. [7] De rechtbank zal hierop in dit vonnis terugkomen, teneinde te voorkomen dat zij op een ondeugdelijke grondslag uitspraak doet. Gelet op het voorgaande zal de dwangsom worden verhoogd naar € 5.000 per dag en zal het maximum worden verhoogd tot € 350.000. Het ter zake oorspronkelijk meer of anders gevorderde zal opnieuw worden afgewezen.
Proceskosten
4.16.
[handelsnaam] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Alga worden begroot op:
- dagvaarding € 122,35
- griffierecht € 714,00
- salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten × tarief II à € 653,00)
- nakosten
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal € 2.331,35‬‬.
Vernietiging verstekvonnis
4.17.
Het door [handelsnaam] ingestelde verzet is ongegrond. Toch kan het verstekvonnis niet in stand blijven, omdat de rechtbank de dwangsom zal verhogen, een ander maximum aan de dwangsom zal verbinden en de proceskosten opnieuw zal begroten. Het verstekvonnis zal daarom worden vernietigd en de rechtbank zal opnieuw recht doen op de hierna vermelde wijze.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
vernietigt het verstekvonnis van deze rechtbank van 1 oktober 2025
(zaak-/rolnummer C/09/690173 / HA ZA 25-717) en opnieuw rechtdoende:
5.2.
veroordeelt [handelsnaam] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan Alga, te 48691 Vreden, Bondsrepubliek Duitsland, drie nieuwe trucks van het merk Mercedes Benz SZM, type 4048 S 6 x 4 te leveren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000 voor iedere dag dat [handelsnaam] geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft in de nakoming van deze veroordeling, met een maximum van € 350.000;
5.3.
veroordeelt [handelsnaam] tot betaling van een schadevergoeding aan Alga, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
5.4.
veroordeelt [handelsnaam] in de proceskosten, aan de zijde van Alga begroot op € 2.331,35, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe. Als [handelsnaam] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [handelsnaam] € 98 extra aan nakosten betalen, plus de kosten van betekening;
5.5.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 5.2 tot en met 5.4 uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst al het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Alt-van Endt en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.
3416

Voetnoten

1.Verzetdagvaarding randnr. 1.4.
2.Verdrag der Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende
3.Zie J.W. Bitter, in SDU Commentaar Vermogensrecht, aant. 11 op art. 79 WKV Pro.
4.Zie J.W. Bitter in SDU Commentaar Vermogensrecht, aantekening 3 op art. 79 WKV Pro.
5.Zie Van Schaick in Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/88, hoofdstuk 5, nr. 88, Het rechtsgevolg van verzet.
6.Zie inleidende dagvaarding randnr. 17-18 en het petitum onder 2.
7.Hoge Raad 8 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1224; Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800.