Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
in de regelniet is gehouden te motiveren dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt’ (cursivering toegevoegd door de rechtbank). Eiser leidt uit deze bewoordingen af dat er uitzonderingen mogelijk zijn op de hoofdregel dat in het kader van een op artikel 59b van de Vw gebaseerde maatregel het zicht op uitzetting niet wordt beoordeeld. Hij stelt dat er in zijn geval reden was om het zicht op uitzetting te beoordelen en dat verweerder daarom ten onrechte heeft nagelaten informatie te verstrekken over het zicht op uitzetting (in het algemeen en voor eiser specifiek) naar India.
Beslissing
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.