Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8244

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
26.10069
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbAlgemene wet bestuursrechtDublin-verdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens vertrek met onbekende bestemming

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten op grond van artikel 8:54 Awb Pro.

De rechtbank heeft ambtshalve onderzocht of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep. De minister heeft meegedeeld dat eiser op 25 februari 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft verklaard geen contact meer te hebben met eiser en niet te weten waar hij verblijft. Volgens vaste rechtspraak kan een vreemdeling die met onbekende bestemming vertrekt nog belang hebben bij het beroep als er recent contact is, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat hij geen bescherming meer wenst.

Gezien het ontbreken van contact en het feit dat eiser zich niet heeft gemeld bij het COA, neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland en geen actueel belang meer heeft bij de beoordeling van het besluit. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelt zij de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen procesbelang meer heeft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10069

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 23 februari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb [1] bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag niet inhoudelijk wordt beoordeeld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft eiser procesbelang?
3. De rechtbank beantwoordt ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. De minister heeft op 2 maart 2026 meegedeeld dat eiser op 25 februari 2026 met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken. Op 2 maart 2026 heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser gevraagd of hij nog contact met hem heeft. Op 11 maart 2026 heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld dat hij geen contact heeft met eiser, en niet weet waar hij verblijft.
3.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, de vreemdeling nog belang heeft bij zijn beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de MOB-melding blijkt dat deze nog contact onderhoudt met die vreemdeling over de procedure. Dit is alleen anders als er andere concrete aanknopingspunten zijn dat een vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft. Daarbij moet er, in het licht van het fundamentele belang van recht op toegang tot de rechter en het bieden van doeltreffende en effectieve rechtsbescherming, voorzichtig omgegaan worden met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een MOB-melding. [2]
3.2.
Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden en gezien de informatie van de gemachtigde van eiser neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Ook is niet gebleken dat eiser zich na de MOB-melding weer heeft gemeld bij het COa. [3] Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2662).
3.Centraal Orgaan opvang asielzoekers.