In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 14 januari 2026, wordt de afwijzing van de aanvraag van eiser tot afgifte van een document dat zijn afgeleid verblijfsrecht zou bevestigen, behandeld. Eiser, een Surinaamse nationaliteitdrager, heeft op 23 januari 2024 een aanvraag ingediend om rechtmatig te verblijven in Nederland, gebaseerd op zijn vermeende familierechtelijke band met een Nederlandse referente. De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de aanvraag door de minister van Asiel en Migratie terecht is, omdat eiser niet voldoende bewijs heeft geleverd van de gestelde familierechtelijke relatie en de uitzonderlijke situatie die vereist is volgens het arrest K.A. van het Hof van Justitie van de Europese Unie. De rechtbank concludeert dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven, en verklaart het beroep van eiser ongegrond. Eiser krijgt geen griffierecht terug en er wordt geen vergoeding van proceskosten toegekend. De rechtbank wijst erop dat eiser onvoldoende onderbouwing heeft geleverd voor zijn claims en dat de hoorplicht in dit geval niet is geschonden, aangezien het bezwaar kennelijk ongegrond was. De uitspraak benadrukt de noodzaak voor een vreemdeling om concrete en objectieve bewijsstukken te overleggen ter ondersteuning van zijn aanvraag voor een verblijfsrecht.