ECLI:NL:RBDHA:2026:818

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
NL25.4955
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsdocument op basis van afgeleid verblijfsrecht en K.A.-arrest

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 14 januari 2026, wordt de afwijzing van de aanvraag van eiser tot afgifte van een document dat zijn afgeleid verblijfsrecht zou bevestigen, behandeld. Eiser, een Surinaamse nationaliteitdrager, heeft op 23 januari 2024 een aanvraag ingediend om rechtmatig te verblijven in Nederland, gebaseerd op zijn vermeende familierechtelijke band met een Nederlandse referente. De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de aanvraag door de minister van Asiel en Migratie terecht is, omdat eiser niet voldoende bewijs heeft geleverd van de gestelde familierechtelijke relatie en de uitzonderlijke situatie die vereist is volgens het arrest K.A. van het Hof van Justitie van de Europese Unie. De rechtbank concludeert dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven, en verklaart het beroep van eiser ongegrond. Eiser krijgt geen griffierecht terug en er wordt geen vergoeding van proceskosten toegekend. De rechtbank wijst erop dat eiser onvoldoende onderbouwing heeft geleverd voor zijn claims en dat de hoorplicht in dit geval niet is geschonden, aangezien het bezwaar kennelijk ongegrond was. De uitspraak benadrukt de noodzaak voor een vreemdeling om concrete en objectieve bewijsstukken te overleggen ter ondersteuning van zijn aanvraag voor een verblijfsrecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.4955

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R. Dhalganjansing),
en
de minister van Asiel en Migratie,voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser tot afgifte van een document waaruit blijkt dat hij een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 mei 2018 in de zaak K.A., ECLI:EU:C:2017:821. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing in stand kan blijven
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 en 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend tot afgifte van een document waaruit een afgeleid verblijfsrecht blijkt op grond van artikel 20 van het VWEU en het K.A.-arrest. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 4 november 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 januari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde en [naam 1] , zijn zus, en de gemachtigde van verweerder.

(Totstandkoming van) het bestreden besluit

3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1972 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Eiser is Nederland op 16 mei 2022 binnengekomen en hij heeft op 23 januari 2024 de nu voorliggende aanvraag ingediend om rechtmatig te verblijven bij [naam 2] , die de Nederlandse nationaliteit bezit en de gestelde moeder van eiser is (hierna: referente). Op [datum] is referente overleden.
4. Aan het bestreden besluit legt verweerder ten grondslag dat eiser geen afgeleid verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 20 van het VWEU en het K.A.-arrest, omdat de gestelde familierechtelijke relatie tussen eiser en referente niet is onderbouwd met stukken. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in dat arrest waarop een familielid van een meerderjarige burger van de EU een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU kan verkrijgen. Ook is referente inmiddels overleden. De afwijzing is niet in strijd met de artikelen 3 en 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar, is van horen in bezwaar afgezien, aldus verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

5. Verweerder heeft zich in het primaire besluit en het bestreden besluit gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser geen verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 20 van het VWEU omdat de familierechtelijke relatie tussen hem en referente niet is aangetoond en evenmin is aangetoond dat er tussen hen een uitzonderlijke situatie heeft bestaan zoals in het K.A.-arrest. Verweerder heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat eiser in dit kader weliswaar een document van de huisarts van 4 mei 2022 heeft overgelegd waaruit blijkt dat referente terminaal nierfalen had, maar dat uit dit document niet blijkt dat referente voor haar zorg zo afhankelijk was van eiser dat hij niet van haar gescheiden kon worden. Eiser heeft bijvoorbeeld geen bewijsstukken opgestuurd waaruit blijkt dat hij feitelijk samenwoonde met referente vanwege de afhankelijkheidsverhouding noch dat hij haar dagelijks verzorgde. Eisers eigen verklaring over zijn zorg voor referente heeft verweerder terecht onvoldoende geacht. Voorts heeft verweerder zich in het primaire en het bestreden besluit gemotiveerd op het standpunt gesteld dat aan eiser niet ambtshalve een verblijfsvergunning wordt verleend op grond van de artikelen 3 (medisch en verwestering) en 8 van het EVRM. In dit kader heeft verweerder zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de familierechtelijke relatie tussen eiser en referente niet is aangetoond, dat referente inmiddels is overleden en dat eiser nog maar kort in Nederland is en hele sterke banden heeft met Suriname. Verder heeft verweerder zich in het bestreden besluit gemotiveerd op het standpunt gesteld dat geen sprake is van oneigenlijk gebruik van gegevens van eiser en dat geen sprake is van een onrechtmatige signalering van die gegevens in het Schengen Informatie Systeem. Eiser heeft in zijn gronden van beroep (vrijwel woordelijk) herhaald wat hij reeds in zijn gronden van bezwaar (en bij zijn aanvraag) had aangevoerd. Een dergelijke herhaling in de gronden van beroep zonder nader te motiveren waarom het bestreden besluit, waarin op alle gronden die in bezwaar zijn aangevoerd gemotiveerd is ingegaan, niet in stand kan blijven, is onvoldoende om tot gegrondverklaring van het beroep te komen. Een dergelijke herhaling is evenmin voldoende om het standpunt van verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in aanmerking komt voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU of voor een verblijfsvergunning op grond van de artikelen 3 en 8 van het EVRM voldoende gemotiveerd betwist te achten. De verklaring in beroep van eisers zus [naam 1] over de tragische familiegeschiedenis en de band tussen eiser en referente is onvoldoende om een uitzonderlijke situatie als bedoeld in het K.A.-arrest aan te nemen. Deze verklaring kan ook in het kader van artikel 8 van het EVRM niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep, omdat de rechtbank in dit kader alleen een ex-tunc beoordeling verricht en deze verklaring pas in beroep is gedaan. De enkele stelling van eiser ter zitting dat verweerder geen percentage heeft gegeven van het aantal gemaakte belangenafwegingen in het kader van artikel 8 van het EVRM dat in het voordeel van de vreemdeling is uitgevallen, kan evenmin tot een ander oordeel leiden. Ditzelfde geldt voor eisers stelling dat verweerder zijn belang om eiser geen verblijf toe te staan in Nederland onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat uit het bestreden besluit het tegendeel blijkt. Om die reden bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het beroep van eiser gegrond is. Uit het enkel in algemene zin verwijzen naar uitspraken, (internationale) wetsartikelen en het handboek van de Europese Commissie – zonder dit nader toe te lichten – kan de rechtbank voorts niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Bovendien heeft eiser op geen enkele wijze aangetoond waarom de aangehaalde uitspraken op zijn situatie van toepassing zijn en heeft hij zijn gestelde medische klachten op geen enkele manier onderbouwd. Ook overweegt de rechtbank dat voor zover in de aanvullende gronden van beroep iets is aangevoerd wat eerder niet was aangevoerd, dit niet tot een ander oordeel leidt. Uit de enkele verwijzing van eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 11 februari 2025,
ECLI:NL:RBDHA:2025:2548, kan de rechtbank immers niet afleiden waarom het bestreden besluit onjuist is. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen in deze zaak. Verder is ook niet gebleken dat het aanvraagformulier afbreuk heeft gedaan aan de nuttige werking van het Unierecht. Tot slot overweegt de rechtbank dat de afwijzing van eisers aanvraag op grond van de Tijdelijke regeling voor Surinaamse oud-Nederlanders hier niet voorligt en dat eisers stelling ter zitting dat bij de visumaanvraag wel is uitgegaan van de familierechtelijke band tussen eiser en referente niet is onderbouwd en daarom niet tot een ander oordeel kan leiden. Overigens blijkt dit ook niet uit het dossier.
6. Eiser voert aan dat verweerder hem had moeten horen in bezwaar over de afhankelijkheid en gestelde medische klachten.
6.1.
Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld te worden gehoord, voordat het bestuursorgaan op het bezwaar beslist. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is.
6.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, volgt dat een bezwaar alleen ‘kennelijk’ ongegrond is als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een ander oordeel dan vervat in het primaire besluit.
6.3.
Zoals de Afdeling in voormelde uitspraak van 6 juli 2022 heeft benadrukt, is de plicht om te horen afhankelijk van wat de vreemdeling in bezwaar heeft aangevoerd. Het is aan eiser om in bezwaar concreet toe te lichten waarom hij zich niet kan verenigen met het primaire besluit. Hoewel in het kader van de artikel 20 van het VWEU en artikel 8 van het EVRM de hoorplicht temeer van belang is, rust er dus eerst nog wel een taak op de vreemdeling. In dit geval heeft eiser alleen gesteld dat er een familierechtelijke band tussen
hem en referente bestaat en een verklaring overgelegd, maar hij heeft deze stelling verder niet onderbouwd met objectieve stukken. Ten aanzien van de gestelde uitzonderlijke situatie in het kader van artikel 20 van het VWEU en de bijkomende elementen van afhankelijkheid in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft eiser alleen gesteld dat referente veel zorg en aandacht behoeft van eiser, dat er humane (waaronder psychische) aspecten van belang zijn en dat hij in afwachting is van rapportages van deskundigen zoals huisarts, maatschappelijk werker en psycholoog. Deze stukken, die in de aanvraagfase al waren aangekondigd, heeft eiser ook in bezwaar niet overgelegd. Bovendien zijn er geen andere stukken -anders dan de medische stukken met betrekking tot referente overgelegd - om de gestelde uitzonderlijke situatie of de bijkomende elementen van afhankelijkheid te onderbouwen. In het kader van artikel 3 van het EVRM zijn verder helemaal geen stukken overgelegd. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat het bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit en dus dat sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar. Verweerder heeft daarom van het horen van eiser kunnen afzien. De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking dat eiser wordt bijgestaan door een professionele gemachtigde van wie verwacht mag worden dat hij weet welke documenten van belang zijn om over te leggen in procedures zoals de onderhavige. Daarnaast is van belang dat verweerder onbetwist heeft gesteld dat de gemachtigde van eiser, op het moment dat het bestreden besluit werd genomen, een groot aantal procedures had lopen waarbij hij identieke of vrijwel identieke juridische argumenten had aangevoerd. Het beroep van eiser op de uitspraak van 15 maart 2016 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Gillissen tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2016:0315JUD003996609, kan niet tot een ander oordeel leiden, al omdat in deze zaak geen sprake is van getuigenbewijs of aangevraagde getuigen en de aanvraag van eiser, anders dan in die zaak, nauwelijks is onderbouwd. De rechtbank ziet gelet hierop ook geen reden om onderzoek te doen naar de toepassing van de hoorplicht door individuele lidstaten in beoordelingen van procedures over de toepassing en reikwijdte van artikel 20 van het VWEU en artikel 8 van het EVRM. De beroepsgrond zoals vermeld onder 6. faalt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiser in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers - Heins, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.