AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag verblijfsvergunning asiel na Dublin Italië
Eiser heeft op 5 juli 2025 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van zes maanden beslist, mede omdat het onderzoek naar de toepassing van de Dublinverordening op Italië niet tot een overdracht kon leiden.
De rechtbank stelt vast dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië niet langer geldt, waardoor Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. De minister had uiterlijk op 5 januari 2026 moeten beslissen, maar heeft dit nagelaten.
Eiser heeft de minister tijdig in gebreke gesteld en vervolgens beroep ingesteld. De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en gegrond, legt een termijn van zestien weken op waarbinnen de minister eerst een nader gehoor moet afnemen en daarna een besluit moet nemen.
Daarnaast wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000. De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van €467 vanwege het inschakelen van juridische hulp.
De uitspraak benadrukt het belang van tijdige besluitvorming en de verantwoordelijkheid van de minister na het vervallen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel met Italië.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt een termijn en dwangsom op voor de minister om alsnog binnen zestien weken te beslissen op de asielaanvraag.
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).
Overwegingen
1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Is het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond?
3. De minister dient uiterlijk zes maanden na ontvangst van een asielaanvraag een beschikking te geven.3 Indien de minister onderzoekt of de aanvraag niet in behandeling dient te worden genomen4, vangt de zesmaandentermijn aan op het moment waarop
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2025/4 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025/28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2025 weer een beslistermijn van zes maanden.
overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.5
4. Eiser heeft op 5 juli 2025 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend. De minister mag onder bepaalde omstandigheden artikel 42, zesde lid, van de Vw ook toepassen in de situatie dat hij onderzoek verricht naar de toepassing van de Dublinverordening, maar uiteindelijk afziet van het leggen van een claim op een andere lidstaat. Dat onderzoek moet meer omvatten dan enkel een onderzoek in Eurodac.6
5. De minister heeft een zogenoemde Eurodac bevraging en een EU-Vis bevraging verricht. Verder heeft de minister een zogenaamd aanmeldgehoor Dublin afgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit samenstel van handelingen te verstaan als een onderzoek naar de toepassing van de Dublinverordening.
6. De rechtbank stelt echter vast dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) in haar uitspraak van 26 april 2023 heeft bepaald dat ten aanzien
van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.7 De ABRvS heeft ook geoordeeld dat, alhoewel de Italiaanse autoriteiten voornemens zijn overdrachten als bedoeld in de Dublinverordening op enig moment te hervatten, het op dit moment nog niet mogelijk is vast te stellen wanneer het gebrek aan opvangfaciliteiten zal zijn opgelost en de overdrachten aan Italië weer kunnen worden hervat.
7. Vanaf het moment dat het voor de minister duidelijk was of had moeten zijn dat een overdracht aan Italië in geval van eiser niet mogelijk was, is de minister verantwoordelijk geworden voor de behandeling van de asielaanvraag. De rechtbank stelt vast dat dit voor de minister in ieder geval duidelijk was na de uitspraak van de ABRvS van 26 april 2023. Ten tijden van het indienen van de aanvraag (5 juli 2025) was het voor de minister duidelijk dat een overdracht aan Italië niet mogelijk was.
8. Dat betekent dat de minister in beginsel uiterlijk op 5 januari 2026 op de aanvraag had moeten beslissen. Binnen die termijn heeft de minister niet beslist op de aanvraag. Eiser heeft de minister op 19 februari 2026 en dus tijdig in gebreke gesteld. Voorts heeft eiser meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing. Het beroep is daarom ontvankelijk en kennelijk gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
9. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.8 In deze zaak is dit aan de orde.
10. Uit de beschikbare stukken blijkt dat eiser in deze zaak nog niet is gehoord omtrent zijn asielmotieven. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een gehoor omtrent de asielmotieven van eiser moet afnemen en binnen acht weken daarna het besluit op de aanvraag bekend moet maken.
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
11. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.9 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen onder 10. genoemde termijn alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.
13. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak een nader gehoor af te nemen en binnen acht weken na het nader gehoor een besluit op de aanvraag bekend te maken, in ieder geval
bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 maart 2026
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.