Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8067

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
23/8065
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:11 AwbArt. 7:12 AwbArt. 4:20b AwbArt. 8:72 AwbArt. 2.1 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering omgevingsvergunning uitbreiding woningen Groningsestraat Den Haag

Eiser vroeg op 12 oktober 2020 een omgevingsvergunning aan voor het vergroten van woningen aan de Groningsestraat in Den Haag. Het college weigerde deze vergunning op 19 januari 2021, waarna bezwaar en beroep volgden. De rechtbank oordeelde eerder dat de vergunning van rechtswege was verleend, maar het college herroept deze vergunning later en weigert alsnog de vergunning.

De rechtbank beoordeelt dat het bestreden besluit van het college niet deugdelijk is gemotiveerd zoals vereist in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De motivering is verspreid over verschillende documenten en niet duidelijk bij het besluit vermeld. Daarom wordt het besluit vernietigd.

Desondanks laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Het betreft een aanbouw die de maximale hoogte en het toegestane oppervlak overschrijdt. Het college heeft terecht geweigerd af te wijken van het bestemmingsplan vanwege onwenselijke verdichting en negatieve impact op de omgeving.

De rechtbank veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht aan eiser. De uitspraak is gedaan door rechter A.C. de Winter op 1 april 2026.

Uitkomst: Het besluit tot weigering van de omgevingsvergunning wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand omdat het bouwplan strijdig is met het bestemmingsplan.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/8065
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigden: mr. A.H. Gaastra en mr. J.L. van Noort)
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: Mr. T. Konings).
Als derde-belanghebbenden nemen aan de zaak deel:
1. [derde partij 1], uit [woonplaats] ,

2.[derde partij 2] uit [woonplaats]

(gemachtigde: mr. M.C. van Meppelen Scheppink),

3.[derde partij 3] uit [woonplaats] .

Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het college om een omgevingsvergunning voor het vergroten van de woningen aan de [adres 1] , [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] te verlenen. Eiser is het niet eens met deze weigering en voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning heeft mogen weigeren.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke en kenbare motivering. Eiser krijgt in zoverre gelijk en het beroep is dus gegrond. Het bestreden besluit wordt daarom vernietigd. De rechtbank ziet echter aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft
Procesverloop
2. Eiser heeft op 12 oktober 2020 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het uitbreiden van de woningen aan de achterzijde op de [adres 1] , [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] .
2.1.
Met het besluit van 19 januari 2021 heeft het college de omgevingsvergunning geweigerd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.2.
Met het besluit van 2 november 2022 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning in stand gelaten. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.3.
In de uitspraak van 11 april 2023 [1] heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep van eiser wegens het niet tijdig bekend maken van een vergunning van rechtswege. De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat de door eiser aangevraagde omgevingsvergunning van rechtswege is verleend. De rechtbank heeft het college opgedragen de van rechtswege verleende vergunning binnen twee weken bekend te maken.
2.4.
Met het besluit van 24 april 2023 heeft het college de van rechtswege ontstane vergunning bekend gemaakt. Daartegen hebben de derde-belanghebbenden bezwaar gemaakt.
2.5.
In de uitspraak van 23 oktober 2023 [2] heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit op bezwaar van 2 november 2022 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 19 januari 2021 herroepen, omdat het college gelet op de van rechtswege verleende vergunning niet meer bevoegd was inhoudelijk te beslissen op de aanvraag van 12 oktober 2020.
2.6.
Met het besluit van 24 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van de derde-belanghebbenden tegen de van rechtswege verleende vergunning gegrond verklaard. Het college heeft de van rechtswege verleende vergunning herroepen en de omgevingsvergunning in heroverweging alsnog geweigerd.
2.7.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Derde-belanghebbenden Rijkers en Van der Burg hebben schriftelijke uiteenzettingen ingediend.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van eiser, de gemachtigde van het college (via een videoverbinding), derde-belanghebbenden Rijkers en Van der Burg en de gemachtigde van derde-belanghebbende Rijkers.
Beoordeling door de rechtbank
Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
3.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór 1 januari 2024. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
Het bouwplan
4. Eiser heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vergroten van het pand aan de [adres 1] , [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] . De aanvraag is door het college aangemerkt als een aanvraag die ziet op de activiteiten ‘bouwen’ en ‘afwijken van het bestemmingsplan’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a en onder c, van de Wabo. Het bouwplan voorziet in een uitbreiding van de woningen door deze uit te bouwen aan de achterzijde op meerdere lagen.
5. De derde-belanghebbenden wonen in de directe nabijheid van het bouwplan. Zij vrezen dat het bouwplan een ontoelaatbare negatieve impact zal hebben op hun woon- en leefomgeving.
Het bestreden besluit
6. Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd omdat het college het bouwplan in strijd acht met het bestemmingsplan. Het college is niet bereid afwijking van het bestemmingsplan toe te staan.
Is het college buiten de omvang van de heroverweging in bezwaar getreden?
7. Eiser betoogt dat het college met het bestreden besluit buiten de grenzen van de heroverweging in bezwaar is getreden. Volgens eiser heeft het college het bestreden besluit genomen los van de bezwaargronden die waren aangevoerd. Eiser betoogt daarnaast dat het college gelet op artikel 7:11, tweede lid en artikel 4:20b, eerste lid van de Awb, de omgevingsvergunning niet mocht weigeren op grond van dezelfde motivering die werd gehanteerd in het herroepen weigeringsbesluit van 19 januari 2021.
7.1.
Dit betoog slaagt niet. In hun bezwaarschriften tegen de omgevingsvergunning van rechtswege hebben de derde-belanghebbenden onder meer aangevoerd dat zij het niet eens zijn met de omvang en ligging van het bouwplan. Het college heeft hierin aanleiding mogen zien om bij de heroverweging van de omgevingsvergunning te beoordelen of het bouwplan voldoet aan de bouwregels uit het bestemmingsplan. Daarmee heeft het college de grondslag van de ingediende bezwaren niet verlaten. Er is verder geen rechtsregel die zich ertegen verzet dat het bestreden besluit is gemotiveerd met verwijzing naar het eerdere weigeringsbesluit van 19 januari 2021. De rechtbank heeft het weigeringsbesluit van 19 januari 2021 immers louter herroepen omdat dit door het college onbevoegdelijk was genomen. Met die uitspraak heeft de rechtbank zich niet uitgelaten over de inhoud van het weigeringsbesluit.
Is het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd?
8. Eiser betoogt dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet berust op een deugdelijke motivering. Dit betoog slaagt. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
8.1.
Op grond van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb dient een besluit op bezwaar te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van het besluit wordt vermeld.
8.2.
Het college heeft het bestreden besluit gemotiveerd met een verwijzing naar het advies van de adviescommissie bezwaarschriften van 23 oktober 2023. Hierin wordt voor een deel van de motivering verwezen naar het eerdere advies van deze commissie van 12 oktober 2022 dat in het kader van de bezwaarprocedure over het weigeringsbesluit van 19 januari 2021 is uitgebracht. Verder wordt in het advies van de bezwaarschriftencommissie in reactie op een aantal bezwaargronden verwezen naar het verweerschrift van het college in de bezwaarfase en heeft de rechtbank ter zitting vastgesteld dat een deel van de motivering van het bestreden besluit moet worden gevonden in een bijlage bij het verweerschrift in beroep. De motivering van het bestreden besluit moet aldus in delen van diverse documenten worden gezocht die in verschillende stadia van de procedure zijn opgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee geen sprake van een deugdelijke motivering die bij de bekendmaking van het bestreden besluit wordt vermeld, zoals artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vereist. De rechtbank zal het beroep van eiser daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.
8.3.
Hieronder zal de rechtbank beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand gelaten kunnen worden.
Heeft het college terecht geweigerd de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen?
9. Ter plaatse is het bestemmingsplan “Scheveningen – Badplaats” van toepassing. Op het perceel rust – voor zover hier van belang – de enkelbestemming “Wonen”.
9.1.
Het begrip ‘aanbouw’ is in artikel 1.3 van de planregels gedefinieerd als: een toevoeging van een (afzonderlijke) ruimte aan het hoofdgebouw, welke vanuit het hoofdgebouw toegankelijk is en functioneel deel uitmaakt van het hoofdgebouw.
9.2.
Artikel 22.2.2, de planregels luidt, voor zover hier van belang: voor het bouwen van aanbouwen en vrijstaande bijgebouwen buiten het bouwvlak gelden de volgende regels:
a. het gezamenlijke oppervlak van aan- en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 50% van het gedeelte van het bouwperceel dat achter het bouwvlak gelegen is;
(…);
f. de hoogte van een aanbouw mag niet meer bedragen dan 0,30 meter boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw.
10. Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd omdat het bouwplan in strijd is geacht met het bestemmingsplan. Volgens het college is sprake van een aanbouw als gedefinieerd in artikel 1.3 van de planregels. Deze aanbouw overschrijdt de maximale hoogte die is vastgelegd in artikel 22.2.2 onder f van de planregels. Daarnaast is de aanbouw volgens het college in strijd met artikel 22.2.2, aanhef en onder a, van de planregels, omdat hiermee het toegestane gezamenlijke oppervlak van aanbouwen en bijgebouwen op het gedeelte van het bouwperceel dat achter het bouwvlak is gelegen wordt overschreden. Volgens het college is sprake van een te grote afwijking en kan daarom niet worden afgeweken van het bestemmingsplan.
11. Eiser betoogt dat het bouwplan geen aanbouw is in de zin van het bestemmingsplan. De definitie van ‘aanbouw’ in het bestemmingsplan impliceert volgens eiser dat een aanbouw een afzonderlijke ruimte moet zijn, en daarvan is in dit geval geen sprake. Het gaat hier volgens eiser om het naar achteren verplaatsen van de achtergevel van het pand. Daarmee is volgens eiser sprake van de uitbreiding van een hoofdgebouw, waardoor de bouwregels uit artikel 22.2.2. onder a en onder f van de planregels niet van toepassing zijn.
11.1.
Het betoog van eiser slaagt niet. Het bouwplan voorziet in een toevoeging van ruimtes aan het hoofdgebouw die vanuit dat hoofdgebouw toegankelijk zijn en die functioneel van het hoofdgebouw deel uitmaken. Daarmee wordt voldaan aan de voorwaarden die artikel 1.3 van het bestemmingsplan stelt om te spreken van een aanbouw. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat artikel 1.3 van de planregels zo uitgelegd moet worden dat een aanbouw altijd een afzonderlijke ruimte dient te zijn. Recentelijk heeft deze rechtbank over deze definitie van het begrip ‘aanbouw’ in gelijke zin geoordeeld, en de rechtbank ziet geen reden om in dit geval tot een ander oordeel te komen. [3] Dat het bouwplan – zoals eiser betoogt – architectonisch en visueel niet van het hoofdgebouw is te onderscheiden, leidt niet tot een ander oordeel. Uit de definitie van ‘aanbouw’ in artikel 1.3 van het bestemmingsplan volgt niet dat dit elementen zijn die van belang zijn om een bouwwerk als aanbouw of uitbreiding van het hoofdgebouw aan te merken.
11.2.
Omdat sprake is van een aanbouw, heeft het college de toelaatbaarheid van het bouwplan terecht beoordeeld aan de hand van artikel 2.22.2 van het bestemmingsplan. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan de maximale bouwhoogte uit artikel 22.2.2, aanhef en onder f, van de planregels overschrijdt. Dat betekent dat college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in strijd is met die bepaling.
12. Eiser betoogt verder dat het bouwplan volledig binnen het bouwvlak ligt en dat het bouwplan dus niet in strijd is met artikel 22.2.2, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan. Volgens eiser is het bouwvlak niet 11,62 meter diep zoals het college stelt. Uit metingen bij de naastgelegen bebouwing die hij heeft laten uitvoeren en uit oude bouwtekeningen, volgt volgens eiser dat de bestaande bebouwing op de naastgelegen percelen een diepte heeft van 13,27 meter. Omdat deze bebouwing al aanwezig was toen het bestemmingsplan werd vastgesteld en nu uit de toelichting bij het bestemmingsplan volgt dat dit plan een conserverend karakter heeft, moet volgens eiser worden aangenomen dat het bouwplan strak om de reeds aanwezige bebouwing ligt. Het bouwvlak moet volgens hem daarom in ieder geval 13 meter diep zijn.
12.1.
Dit betoog van eiser slaagt niet. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat voor het bepalen van de diepte van het bouwvlak de (digitale) verbeelding bij het bestemmingsplan doorslaggevend is. De diepte van het bouwvlak kan dus niet, zoals eiser heeft betoogd, worden vastgesteld aan de hand van de aanwezige bebouwing. Op de digitale verbeelding bij het bestemmingsplan heeft het college de diepte van het bouwvlak met een digitale liniaal vastgesteld op 11,62 meter. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding aan de juistheid van deze meting te twijfelen. [4] Dat is te minder het geval nu het college de uitgevoerde meting nader heeft onderbouwd met een meting die is uitgevoerd door de afdeling geoinformatie van de gemeente.
12.1.1.
Uitgaande van een bouwvlak met een diepte van 11,62 meter heeft het college terecht aangenomen dat het bouwplan buiten het bouwvlak is voorzien. Het college heeft zich onbetwist op het standpunt gesteld dat – uitgaande van dit bouwvlak – bij realisatie van het bouwplan ruimschoots meer dan 50% van het gedeelte van het bouwperceel achter het bouwvlak wordt bebouwd. Dat betekent dat het college terecht heeft aangenomen dat het bouwplan ook in strijd is met artikel 2.22.2, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan.
12.2.
Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan alleen vergund kan worden als wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Dat is slechts mogelijk als het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
12.3.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
12.4.
Het college heeft onder verwijzing naar een advies van de afdeling stedenbouw en planologie toegelicht dat het in dit geval niet van het bestemmingsplan wil afwijken, omdat het bouwplan zorgt voor een onwenselijke verdichting en het dichtslibben van het gebied buiten het bouwvlak, waardoor de mogelijkheden voor groen in het achtererfgebied worden beperkt. Bovendien leidt het bouwplan ertoe dat bebouwing te dicht bij de achtergelegen woningen aan de Groningsestraat 21 en 23 komt. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op dit standpunt heeft mogen stellen.
12.5.
Het voorgaande betekent het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan strijd oplevert met het bestemmingsplan en dat het ervan heeft mogen afzien ten behoeve van het bouwplan van het bestemmingsplan af te wijken. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning voor het bouwplan heeft mogen weigeren. De rechtbank zal de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit daarom geheel in stand laten.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet berust op een deugdelijke motivering die bij het bestreden besluit is vermeld. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, maar de rechtsgevolgen daarvan met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb geheel in stand laten. Dat betekent dat het bouwplan niet mag worden gerealiseerd.
13.1.
De rechtbank ziet aanleiding het college te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 1.868,- in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor deelname aan de zitting, met een waarde van € 934,- per punt en wegingsfactor 1). Omdat het beroep gegrond is moet het college ook het griffierecht van € 184,- aan eiser vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
- bepaalt dat het college de proceskosten van € 1.868,- aan eiser moet vergoeden;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van
mr.Y. Al-Qaq, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

3.Uitspraak van 15 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1686.
4.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1464.