ECLI:NL:RBDHA:2026:1686

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
25/5566
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 22.29 Omgevingsplan gemeente Den HaagArt. 1.3 bestemmingsplanArt. 6.2.1 bestemmingsplanArt. 6.1.1 bestemmingsplan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning uitbouw wegens strijd met bestemmingsplan en welstandseisen

Eiser vroeg een omgevingsvergunning aan voor een uitbouw op het dakterras van zijn woning. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees de aanvraag gedeeltelijk af omdat de uitbouw de maximale toegestane hoogte volgens het bestemmingsplan overschrijdt en niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Eiser betoogde dat de uitbouw functioneel deel uitmaakt van het hoofdgebouw en binnen het bouwvlak valt, en dat het college de belangen onjuist heeft afgewogen.

De rechtbank oordeelt dat de uitbouw als aanbouw moet worden aangemerkt en dat de hoogte van ruim 3 meter de maximale hoogte van 0,3 meter boven de eerste verdieping fors overschrijdt. Ook is vastgesteld dat het bouwplan het bouwvlak met 9,3 m² overschrijdt, waarbij de verbeelding van het bestemmingsplan juridisch bindend is en niet de luchtfoto's waarop eiser zich baseerde. De belangenafweging van het college is zorgvuldig en de nadelige gevolgen van de weigering zijn niet onevenredig.

Ten aanzien van de welstandstoets heeft het college het negatieve advies van de Adviescommissie omgevingskwaliteit cultureel erfgoed overgenomen. De rechtbank stelt dat het college dit advies terecht heeft gevolgd, omdat eiser geen tegenadvies of concrete bezwaren heeft ingebracht. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de omgevingsvergunning voor de uitbouw wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/5566

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.R.D.D. Speelman),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Smit).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van een omgevingsvergunning. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Volgens hem past het bouwplan binnen het bestemmingsplan en is er geen strijd met redelijke eisen van welstand. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beslissing op bezwaar.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht weigeren
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 16 januari 2025 een aanvraag ingediend, op 17 maart 2025 aangevuld, voor het vergroten van zijn woning aan de [adres] (de woning) door middel van een uitbouw op het dakterras aan de achterzijde van de woning. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 11 april 2025 gedeeltelijk afgewezen en gedeeltelijk vergunningvrij geacht. Met het bestreden besluit van 18 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3.1.
Op 1 januari 2024 is de Ow in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar de vergunningsaanvraag op ziet, was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’ (het bestemmingsplan) van kracht. Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Den Haag.
3.2.
Voor het overige toetsingskader verwijst de rechtbank naar de bijlage.
Het bestreden besluit
4. De aanvraag gaat over het realiseren van een uitbouw aan de achterzijde van de woning. Gevraagd is een omgevingsvergunning voor een ‘omgevingsplanactiviteit’ als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Omgevingswet (Ow) en voor een ‘bouwactiviteit’ als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a van de Ow. Het college heeft het gedeelte van de aanvraag dat ziet op ‘omgevingsplanactiviteit’ afgewezen op grond van artikel 22.29, eerste lid onder a en b, van het Omgevingsplan gemeente Den Haag (het omgevingsplan). Ook voldoet het bouwplan niet aan redelijke eisen van welstand, aldus het college.
4.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwplan, gelet op artikel 1.3 van het bestemmingsplan, betrekking heeft op een aanbouw. Het bouwplan voorziet in een uitbouw van ruim 3 meter hoogte. Daarmee wordt de in artikel 6.2.1, aanhef en onder d van het bestemmingsplan voor aanbouwen genormeerde maximale hoogte van 0,3 meter boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw fors overschreden. Er kan niet binnenplans van deze regel worden afgeweken. Het college vindt bovendien dat de verdichting van het binnenterrein door de aanbouw in strijd is met het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, en gaat daarom ook niet akkoord met een eventuele buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Wat betreft welstand heeft het college het negatieve advies van de Adviescommissie omgevingskwaliteit cultureel erfgoed (AOC) overgenomen.
Is het bouwplan in strijd met het omgevingsplan?
5. Eiser betoogt dat het bouwplan niet als aanbouw kan worden aangemerkt. Volgens vaste jurisprudentie vallen onder een hoofdgebouw ook uitbreidingen die functioneel en bouwkundig onderdeel uitmaken van het hoofdgebouw. [1] Zowel in functioneel als bouwkundig opzicht wordt de ruimte in het bouwplan onderdeel van het hoofdgebouw, omdat de bestaande muur wordt verwijderd en de nieuwe ruimte onderdeel wordt van een bestaande slaapkamer. Van strijd met artikel 6.2.1, aanhef en onder d, van het bestemmingsplan is daarom geen sprake. Daarnaast voert eiser aan dat, in het geval het bouwplan als hoofdgebouw wordt gekwalificeerd, het college onterecht stelt dat het plan dan strijdig zou zijn met het omgevingsplan wegens overschrijding van het bouwvlak met 9,3 m². Eiser wijst op de luchtfoto’s op Ruimtelijkeplannen. Daarop is het bouwplan binnen het bouwvlak gelegen. Als deze luchtfoto’s afwijken van die op het Omgevingsloket, zou dat betekenen dat het bestemmingsplan ten opzichte van toen is gewijzigd, wat niet is gebeurd. Het onjuist intekenen van het bouwvlak in het Omgevingsloket mag niet ten nadele van eiser komen.
5.1.
De rechtbank overweegt het volgende. Ter plaatse geldt de bestemming “Gemengd-3”. Ingevolge artikel 6.1.1, onder f, van het bestemmingsplan geldt ter plaatse “waarde – cultuurhistorie” en de aanduiding “rijksbeschermd stadsgebied”. Volgens het bestemmingsplan wordt onder aanbouw verstaan een toevoeging van een (afzonderlijke) ruimte aan het hoofdgebouw, welke vanuit het hoofdgebouw toegankelijk is en functioneel deel uitmaakt van het hoofdgebouw. Het bouwplan behelst een toevoeging aan het hoofdgebouw, waarbij een slaapkamer wordt vergroot. De uitbreiding zal dus functioneel deel uitmaken van het hoofdgebouw. De rechtbank volgt eiser niet in de redenering dat uit de definitie in het bestemmingsplan volgt dat een aanbouw een afzonderlijke ruimte dient te zijn. De door eiser aangehaalde uitspraken zien op andersoortige situaties. De uitspraak van de Afdeling gaat in tegenstelling tot hier om het bouwen van een aanbouw gelijktijdig met de bouw van het hoofdgebouw. De uitspraken van de rechtbank Limburg bieden geen van beide aanknopingspunten voor de door eiser voorgestane uitleg van het begrippen aanbouw en hoofdgebouw. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de hoogte van de aanbouw ruim 3 meter boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw uitkomt, stelt het college zich terecht op het standpunt dat het bouwplan in strijd is met artikel 6.2.1, aanhef en onder d, van het bestemmingsplan.
5.2.
Voor zover eiser betoogt dat het bouwplan binnen het bouwvlak valt, is de rechtbank van oordeel dat ook dit een onjuiste lezing van het bestemmingsplan is. Nog daargelaten dat niet de luchtfoto maar de verbeelding juridisch bindend is, is te zien dat het bouwvlak op de luchtfoto van het Omgevingsloket verschoven is. Het daarop ingetekende bouwvlak is zodanig gelegen dat de voorzijde van alle woningen in de uitsnede enige meters buiten het bouwvlak ligt, hetgeen niet aannemelijk is. Voor zover de architect van eiser uit is gegaan van de luchtfoto van het Omgevingsloket, komt dat voor rekening en risico van eiser. Bovendien kan van een architect een bepaalde expertise verwacht worden. Het college is dan ook terecht uitgegaan van de verbeelding. De rechtbank volgt het college daarom in het standpunt dat het bouwplan het bouwvlak met 9,3 m² overschrijdt.
5.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college een juiste belangenafweging gemaakt?
6. Volgens eiser heeft het college de met het besluit gemoeide belangen onjuist tegen elkaar afgewogen. De winst in bewoonbare meters, en daarmee de winst in de bewoonbaarheid van het pand, had zwaarder behoren te wegen dan de relatief beperkte extra verdichting, aldus eiser.
6.1.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsver-gunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
6.2.
De rechtbank kan het college volgen in zijn stellingname dat de omgeving aan de achterzijde reeds allerlei uitbouwen kent en dat verdere verdichting ongewenst is. Ter zitting heeft eiser naar voren gebracht dat hij met zijn vrouw al een tijd ter plaatse woont, maar dat de kleine slaapkamer de laatste tijd steeds meer een probleem wordt. De rechtbank begrijpt hieruit dat de bruikbaarheid van de woning daardoor voor eiser afneemt. Niet is echter gebleken dat de woning zo slecht bruikbaar wordt dat weigering van een omgevingsver-gunning voor de gewenste uitbouw onevenredig is. Ook is niet onderbouwd dat eiser geen andere mogelijkheid heeft dan een uitbouw om de gerezen moeilijkheid te ondervangen.
Voldoet het bouwplan aan redelijke eisen van welstand?
7. Eiser bestrijdt dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Volgens hem gaat het college er aan voorbij dat het bouwplan binnen de bouwmogelijk-heden van het bestemmingsplan past. Het is vaste jurisprudentie dat een welstandstoets zich in beginsel dient te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. [2] De verwezenlijking van de bouwmogelijkheden is nu belemmerd door het negatieve advies van de AOC. Bovendien heeft het college het gebied aan de achterzijde van de woning onterecht als een “ruimtelijke, open en groene kavel van het [gebouw] , een bouwensemble van hoge cultuurhistorische waarde” omschreven. Het gebied betreft namelijk feitelijk een parkeerplaats, en de woning is niet zichtbaar vanuit de ramen van het [gebouw] .
7.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, en heeft daaraan het negatieve advies van de AOC ten grondslag gelegd. Het ophogen van de woning met een uitbouw op het bestaande balkon op die locatie is volgens het advies niet passend bij de architectuur van het pand, en verdere verdichting van het binnenterrein acht het college onwenselijk. Het college merkt daarbij op dat het gaat om beschermd stadsgezicht waar een hoger beschermingsniveau geldt dan gemiddeld. Omdat door eiser geen tegenadvies is geleverd noch is gebleken dat het advies van de AOC evidente gebreken vertoont, ziet het college geen reden om van het welstandsadvies af te wijken.
7.2.
Volgens vaste rechtspraak mag het college aan een welstandsadvies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Dit is anders indien het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat verweerder het niet, of niet zonder meer, aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel dan ook geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. [3]
7.3.
De rechtbank stelt voorop dat, zoals onder 5.1 en 5.2 is overwogen, het bouwplan niet past binnen de bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan. Het welstandsadvies heeft daar geen invloed op gehad. De AOC heeft aan de hand van de Welstandsnota beoordeeld of het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Uit het welstands-advies blijkt dat is geoordeeld dat de uitbouw een negatieve invloed heeft op de bestaande architectuur en het beschermd stadsgezicht. De AOC heeft aangegeven dat de uitbouw zeer atypisch is op de locatie en niet passend bij de architectuur van het pand. Eiser heeft onvoldoende concreet gemaakt waarom het college het advies van de AOC niet over mocht nemen. Hij heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan het welstandsadvies naar voren gebracht en evenmin een advies van een andere deskundige overgelegd.
7.4.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Raben, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow, is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
Ingevolge artikel 22.29, eerste lid, van het omgevingsplan wordt een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, en als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.
Ingevolge artikel 1.3 van het bestemmingsplan is de definitie van een aanbouw een toevoeging van een (afzonderlijke) ruimte aan het hoofdgebouw, welke vanuit het hoofdgebouw toegankelijk is en functioneel deel uitmaakt van het hoofdgebouw.
Ingevolge artikel 6.2.1, aanhef en onder d, van het bestemmingsplan gelden voor het bouwen van gebouwen dat de hoogte van een aan- of uitbouw of aangebouwd bijgebouw niet meer mag bedragen dan 0,3m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw.
Ingevolge artikel 6.2.1, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan mogen hoofdgebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd.

Voetnoten

1.Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3790, de uitspraak van Rechtbank Limburg van 16 september 2022, ECLI:NL:RBLIM:2023:1465 en van Rechtbank Limburg van 27 februari 2023, ECLI:NL:RBLIM:2022:7046.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3860 en de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2018:3860.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4651.