ECLI:NL:RBDHA:2026:804

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
NL25.55778 en NL25.55779
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRMFolterverdragArt. 3.106a Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag afgewezen wegens veilig derde land Zuid-Afrika

Eiser, een Nigeriaanse nationaliteit dragende man, diende op 27 oktober 2025 een asielaanvraag in. Verweerder verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk omdat Zuid-Afrika als veilig derde land voor eiser kon worden beschouwd. Eiser betwistte dit en voerde aan dat hij geen toegang tot Zuid-Afrika zou krijgen en dat hij een reëel risico liep bij terugkeer.

De rechtbank oordeelde dat eiser een voldoende sterke band met Zuid-Afrika heeft, onder meer door zijn langdurig verblijf en geldige verblijfsvergunning tot 2027. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat toegang tot Zuid-Afrika mogelijk is en dat het land veilig is, mede vanwege de naleving van mensenrechtenverdragen en het non-refoulementbeginsel.

Eisers argumenten dat hij niet zou worden toegelaten en dat hij geen verblijfsvergunning kan verkrijgen, werden onvoldoende onderbouwd geacht. Ook de bedreigingen die eiser stelde, werden niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht Zuid-Afrika als veilig derde land heeft aangemerkt en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af omdat Zuid-Afrika als veilig derde land wordt beschouwd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.55778 (beroep) en NL25.55779 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. E. Stap),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Dam).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet honoreren van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1
Eiser heeft op 27 oktober 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 11 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 30 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door mr. J.W.F. Menick, een vervanger van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen P. Oronsaye. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Asielrelaas
2. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1973. Eiser heeft verklaard dat hij Nigeria heeft verlaten, omdat hij zijn vader moet opvolgen als chief priest. Eiser wil dit niet, omdat hij christen is en geen aanhanger is van het geloof van de Ibo bevolkingsgroep. Eiser vreest dat zijn familie hem bij een terugkeer zal vermoorden. In 2007 heeft hij Nigeria verlaten en is hij naar Zuid-Afrika gereisd, waar hij tot zijn vertrek naar Nederland heeft verbleven.

Het bestreden besluit

3. Verweerder vindt dat Zuid-Afrika voor eiser als veilig derde land kan worden beschouwd. Eiser heeft allereerst een band met Zuid-Afrika. Ook is het volgens verweerder aannemelijk dat eiser opnieuw tot Zuid-Afrika zal worden toegelaten. Bovendien is niet gebleken dat Zuid-Afrika voor eiser niet veilig is. Gelet hierop heeft verweerder de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard. [1] Ook dient eiser onmiddellijk te vertrekken naar Zuid-Afrika en is een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst voert eiser aan dat hij geen toegang zal krijgen tot Zuid-Afrika, omdat zijn echtgenote is overleden. Daarnaast is eiser van mening dat hij genoegzaam heeft onderbouwd dat hij niet in aanmerking komt voor een zelfstandige vergunning voor Zuid-Afrika. Verder benadrukt eiser dat zijn dochter die in Zuid-Afrika is geboren, niet de Zuid-Afrikaanse nationaliteit heeft en dat de verblijfsvergunning van haar moeder is ingetrokken. Eiser meent dat hij ofwel in aanmerking komt voor erkenning en toelating als vluchteling ofwel dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling zoals verboden in artikel 3 van Pro het EVRM [2] , dan wel artikel 3 van Pro het Folterverdrag [3] . Verweerder heeft, gelet op het voorgaande, ten onrechte een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk kon verklaren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Herhaald en ingelast
6. Eiser voert aan dat de zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder en in de zienswijze naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom hij van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen. De enkele stelling in de beroepsgronden dat de zienswijze onvoldoende bij het bestreden besluit is betrokken, volgt de rechtbank niet nu niet nader is geconcretiseerd welke punten van de zienswijze onvoldoende zijn meegenomen bij de beoordeling.
Mocht verweerder Zuid-Afrika voor eiser als veilig derde land beschouwen?
7. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard als een derde land voor de vreemdeling als veilig derde land kan worden beschouwd. Om te beoordelen of van een vreemdeling verwacht kan worden dat hij of zij terugkeert naar een veilig derde land, moet er aan de volgende drie vereisten worden getoetst: de vreemdeling wordt behandeld volgens de beginselen genoemd in artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), de vreemdeling heeft banden met dat land die maken dat het redelijk is om van hem of haar te verlangen daarnaar terug te keren en de vreemdeling kan daadwerkelijk terugkeren naar het derde land.
De band
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser een zodanige band heeft met Zuid-Afrika dat het voor hem redelijk is om terug te gaan. Verweerder heeft van belang mogen achten dat eiser van 2007 tot 26 oktober 2025 in Zuid-Afrika heeft gewoond en in het bezit is van een verblijfsvergunning die geldig is tot 14 oktober 2027. Ook heeft verweerder kunnen betrekken dat eisers overleden echtgenote de Zuid-Afrikaanse nationaliteit had, zijn dochter in Zuid-Afrika woont en hij gedurende zijn verblijf in het land in zijn eigen levensonderhoud heeft kunnen voorzien.
De toegang
7.2.
Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat toegang voor eiser tot Zuid-Afrika in beginsel mogelijk moet zijn. Verweerder heeft dat mogen baseren op het feit dat eiser een verblijfsvergunning heeft die geldig is tot 14 oktober 2027 en dat niet is gebleken dat deze vergunning na het overlijden van zijn echtgenote is ingetrokken.
7.3.
Het is vervolgens aan eiser om aan te tonen dat hij desondanks geen toegang zal krijgen tot Zuid-Afrika. Eiser is daar naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. Eisers betoog dat hij niet zal worden toegelaten tot het land, omdat de immigratiedienst zijn overleden echtgenote zal proberen te bellen om te informeren naar hun huwelijk, slaagt niet nu hij dit niet nader heeft onderbouwd.
7.4.
Ook heeft verweerder kunnen vinden dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn huidige verblijfsvergunning niet kan verlengen of niet op andere gronden in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning. Verweerder heeft er allereerst op kunnen wijzen dat eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor 24 maanden met kans op verlenging [4] , omdat hij tijdens het aanmeldgehoor heeft verklaard dat zijn dochter de Zuid-Afrikaanse nationaliteit heeft. [5] Dat eiser later in zijn asielprocedure heeft verklaard dat zijn dochter niet de Zuid-Afrikaanse nationaliteit bezit, is voor de rechtbank geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Het had immers op de weg van eiser gelegen om aan te tonen dat zijn dochter de Zuid-Afrikaanse nationaliteit niet heeft. Dit heeft eiser nagelaten. Voorts heeft eiser tijdens het nader gehoor verklaard dat de verlenging van een verblijfstatus afhangt van huwelijk of werk. [6] Eiser heeft gedurende zijn verblijf in Zuid-Afrika gewerkt als koerier. Eisers stelling dat hij niet langer kan werken in Zuid-Afrika, omdat zijn werkvergunning is ingetrokken, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft hier namelijk geen concrete aanwijzingen voor. Ook de niet onderbouwde stelling dat Zuid-Afrika geen verblijfsvergunningen meer verleent voor ongeschoolde arbeid, is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat eiser zijn verblijfsvergunning niet kan verlengen. Voorts heeft verweerder er op kunnen wijzen dat het in Zuid-Afrika mogelijk is om asiel aan te vragen. Eiser is hiermee bekend, nu hij eerder in het bezit is gesteld van een asielvergunning. Dat het volgens eiser niet mogelijk is om zijn huidige verblijfsvergunning om te zetten naar een asielvergunning, volgt de rechtbank zonder nadere onderbouwing niet. Verweerder heeft er tot slot terecht op gewezen dat eiser niet bij de Zuid-Afrikaanse autoriteiten heeft nagevraagd of hij zijn verblijfsvergunning kan verlengen. Dit had verweerder wel van hem mogen verwachten. Het is namelijk aan de vreemdeling om inspanningen te verrichten om daadwerkelijk te worden toegelaten tot het veilige derde land. [7]
De veiligheid
7.5.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder ook vinden dat Zuid-Afrika in algemene zin veilig is voor eiser. In de besluitvorming is voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser in Zuid-Afrika volgens de beginselen genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb 2000 behandeld zal worden. Verweerder heeft van belang kunnen achten dat Zuid-Afrika partij is bij het Vluchtelingenverdrag en andere relevante mensenrechtenverdragen en dat niet is gebleken dat het land het non-refoulementbeginsel niet respecteert. Daarnaast kent het land een asielprocedure waarbij asielzoekers mogen werken en recht hebben op sociale voorzieningen, onderwijs en gezondheidszorg.
7.6.
Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat Zuid-Afrika voor eiser persoonlijk een veilig derde land is. Verweerder heeft namelijk ongeloofwaardig kunnen vinden dat eiser is bedreigd door familieleden van zijn overleden echtgenote. Zo heeft eiser summier verklaard over de bedreigingen, de bedreigingen onvoldoende onderbouwd met documenten en niet aannemelijk gemaakt dat de twee achtervolgingen door een auto te maken hadden met zijn problemen met de familie van zijn overleden echtgenote. Dat eiser de bedreigingen van de kinderen van zijn overleden echtgenote abusievelijk heeft gewist, maakt dit niet anders, reeds omdat hij de gestelde bedreigingen ook niet anderszins aannemelijk heeft gemaakt.
Mocht verweerder een terugkeerbesluit en inreisverbod opleggen?
8. Eisers beroepsgronden tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod slagen reeds niet, nu eiser deze beroepsgronden niet heeft onderbouwd.
9. Voor zover eiser een oordeel wil over de grensdetentie, komt de rechtbank daar niet aan toe. Daarbij weegt mee dat verweerder op zitting heeft medegedeeld dat er een vervolgberoep loopt waarin dezelfde rechtsvraag is voorgelegd.

Conclusie en gevolgen

10. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder Zuid-Afrika als veilig derde land heeft kunnen beschouwen voor eiser. Verweerder heeft de aanvraag van eiser daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.
11. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing.
4.Aanmeldgehoor van 31 oktober 2025, p. 8.
5.https://www.southafrica-usa.net/homeaffairs/permit_relative.htm
6.Nader gehoor van 6 november 2025, p. 4.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 17 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1480, ov. 6 en 2 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:421, ov 3.