Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank constateert dat de minister de aanvragen op 7 april 2024 ontving en dat de uiterste beslistermijn van 21 maanden is overschreden toen eisers op 29 januari 2026 ingebrekestelling deden.
De rechtbank oordeelt dat de beroepen gegrond zijn omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. De rechtbank stelt een nadere beslistermijn van acht weken na verzending van de uitspraak vast, waarbinnen de minister alsnog moet besluiten. Tevens legt zij een dwangsom van € 100,- per dag op, met een maximum van € 15.000,-, voor het geval de minister niet tijdig beslist.
Verder wijst de rechtbank de proceskosten toe aan eisers, een bedrag van € 467,-, vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp. De rechtbank kan geen bestuurlijke dwangsom vaststellen omdat de wettelijke bepalingen hierover sinds 15 april 2025 niet meer van kracht zijn, en de minister niet tijdig heeft beslist noch ingebreke is gesteld vóór die datum.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en is op 1 april 2026 in het openbaar uitgesproken.