ECLI:NL:RBDHA:2026:7563

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
NL25.32303
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbArt. 28 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen afwijzing asielaanvraag wegens onzorgvuldige leeftijdsbeoordeling

Eiser, van Somalische nationaliteit, vroeg asiel aan met de geboortedatum 2007, maar de minister baseerde zich op een in Griekenland en Portugal geregistreerde geboortedatum uit 2005 en wees de aanvraag af. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de juistheid van de geregistreerde geboortedatum en onvoldoende rekening hield met het beperkte referentiekader van eiser.

De rechtbank stelt vast dat de geboortedatum in Griekenland waarschijnlijk een fictieve datum is, toegewezen omdat de werkelijke datum onbekend is. De minister heeft nagelaten nader onderzoek te verrichten naar de wijze van registratie. Ook de door eiser overgelegde geboorteakte, die als echt is beoordeeld, had meer gewicht moeten krijgen. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom deze niet leidend zou zijn.

Verder heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser, die in een rurale omgeving is opgegroeid en weinig onderwijs heeft genoten, wat van invloed is op de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. De rechtbank beveelt de minister aan binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze overwegingen. Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, met opdracht tot een nieuw besluit binnen acht weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32303

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. K. Benchaïb),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. W. Epema).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en gemotiveerd door de in Griekenland geregistreerde geboortedatum over te nemen, terwijl er concrete aanknopingspunten waren dat die geboortedatum niet juist was. Ook heeft de minister bij de beoordeling van de verklaringen van eiser onvoldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2007. De minister heeft met het bestreden besluit van 23 juni 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Mahed als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
Volgens de minister bevat het asielrelaas van eiser de volgende relevante elementen:
-de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
-discriminatie door Jareer afkomst van eisers moeder;
-de ontvoering en gedwongen rekrutering door Al-Shabaab.
De minister heeft in het bestreden besluit de door eiser gestelde identiteit niet geloofwaardig gevonden, maar de gestelde herkomst en nationaliteit wel. Ook heeft de minister de discriminatie vanwege de Jareer afkomst van eisers moeder geloofwaardig gevonden. De minister vindt de ontvoering en gedwongen rekrutering door Al-Shabaab niet geloofwaardig.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser heeft op 13 april 2023 asiel aangevraagd in Nederland en heeft daarbij aangegeven dat hij op [geboortedatum 1] 2007 is geboren. Bij die aanvraag heeft eiser een kopie van zijn geboorteakte overlegd, waarop [geboortedatum 1] 2007 als geboortedatum staat vermeld. Eiser is twee keer geschouwd. Eerst door de Vreemdelingenpolitie en later nog een keer door een medewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Bij beide schouwen heeft eiser verklaard dat hij is geboren op [geboortedatum 1] 2007, maar is geconcludeerd dat getwijfeld wordt aan de door eiser gestelde minderjarigheid.
3.1.
Naar aanleiding van de schouwen heeft de minister de Griekse en Portugese autoriteiten om informatie verzocht, omdat eiser daar eerder is geweest. Beide autoriteiten hebben bericht dat eiser daar is geregistreerd met de geboortedatum [geboortedatum 2] 2005.
3.2.
Eiser heeft op 9 mei 2023, ter onderbouwing van zijn minderjarigheid een originele geboorteakte aan de minister overgelegd, die [geboortedatum 1] 2007 als geboortedatum vermeldt. Dit document is echt bevonden door de minister.
3.3.
De minister gaat uit van de geboortedatum zoals deze is geregistreerd in Griekenland en Portugal. Die geboortedatum wijkt af van de geboortedatum die eiser in Nederland heeft gesteld en eiser is het daar dan ook niet mee eens.
Heeft de minister de door eiser gestelde minderjarigheid ongeloofwaardig mogen vinden?
Wat is het betoog van eiser?
4. Eiser voert aan dat hij zijn geboortedatum nooit heeft opgegeven in Griekenland of Portugal. Eiser weet niet hoe de registratie in Griekenland tot stand is gekomen, en de Portugese autoriteiten hebben de door de Griekse autoriteiten vastgestelde geboortedatum waarschijnlijk eenvoudigweg overgenomen. Verder betoogt eiser dat de minister de overgelegde geboorteakte bij de beoordeling had moeten betrekken, ook al is het geen identificerend document. Het is een echt bevonden document, waarmee hij een begin van bewijs heeft geleverd wat betreft zijn geboortedatum. Dit document kan daarom niet als irrelevant terzijde worden gelegd. Tot slot heeft de minister volgens eiser onvoldoende rekening gehouden met zijn referentiekader, ook waar het gaat om de vaststelling van zijn geboortedatum. Ten tijde van de vlucht was hij minderjarig. Daarnaast is hij opgegroeid in een beperkte leefomgeving en nauwelijks naar school geweest. Eiser stelt dat zijn referentiekader van invloed is op de mate waarin van hem logische, uitgebreide en samenhangende verklaringen kunnen worden verwacht.
Wat is het standpunt van de minister?
5. De minister stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat hij niet langer op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan van de juistheid van een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat. Dat betekent echter niet dat er geen gewicht toekomt aan een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling en de geloofwaardigheid van zijn verklaringen.
5.1.
Eiser wordt door de minister niet gevolgd in zijn stelling dat hij zijn geboortedatum nooit heeft opgegeven in Griekenland of Portugal. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de Griekse en Portugese autoriteiten aan de geboortedatum van [geboortedatum 2] 2005 zijn gekomen. Er zijn geen concrete aanknopingspunten dat de in Griekenland en Portugal geregistreerde geboortedatum onjuist zou zijn.
5.2.
Wat betreft de geboorteakte neemt de minister het standpunt in dat hieraan niet de waarde kan worden gehecht, die eiser hieraan toegedicht wil zien. Het document is volgens de minister wel echt, maar verandert het oordeel van de minister over de leeftijd van eiser niet. Ten eerste heeft eiser het document niet persoonlijk aangevraagd of verkregen. Ten tweede blijkt uit landeninformatie over het verkrijgen van identiteitsdocumenten in Somalië, dat sprake is van fraude en corruptie bij Somalische instanties. Ten derde is de geboorteakte geen identificerend document en is deze tardief opgesteld. Tot slot komt daar nog bij dat de inhoud van de geboorteakte niet overeenkomt met de verklaringen van eiser. Op de geboorteakte staat dat deze op 22 maart 2023 is afgegeven. Volgens eiser heeft hij de geboorteakte opgevraagd toen hij in Portugal was. Uit andere verklaringen van eiser en uit de door de minister opgevraagde informatie bij Griekenland en Portugal blijkt dat eiser pas op 28 maart 2023 in Portugal was. Eiser kan volgens de minister zijn geboorteakte dus onmogelijk in Portugal hebben aangevraagd.
5.3.
Wat betreft eisers referentiekader neemt verweerder op zitting het standpunt in dat hier voldoende rekening mee is gehouden in de besluitvorming. Op pagina 3 van het bestreden besluit is namelijk hierover een reactie op de zienswijze opgenomen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling [2] van 9 oktober 2024 [3] volgt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet (meer) van toepassing is bij de leeftijdsbeoordeling van vreemdelingen. Dit betekent niet dat er geen gewicht toekomt aan een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling. Het betekent wel dat de minister steeds zorgvuldig zal moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Ook zal hij zo mogelijk moeten toelichten waarop de leeftijdsregistratie is gebaseerd. Als aan een leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal de minister zich moeten laten informeren over de omstandigheden waaronder deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring, omdat deze in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn of haar andere verklaringen. De minister zal steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. De veronderstelling van minderjarigheid moet daarbij het vertrekpunt zijn.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de door eiser gestelde minderjarigheid ongeloofwaardig is. Er zijn concrete aanknopingspunten naar voren gekomen dat de in Griekenland en Portugal geregistreerde geboortedatum onjuist zou kunnen zijn. De rechtbank vindt daarvoor het volgende redengevend.
6.2.
Ten eerste komt de in Griekenland geregistreerde geboortedatum ([geboortedatum 2] 2005) op de rechtbank over als een fictieve, toegewezen geboortedatum. Het is de rechtbank namelijk ambtshalve bekend dat als de werkelijke geboortedatum onbekend is of niet kan worden aangetoond met officiële documenten vaak 1 januari of 1 juli als geboortedatum wordt geregistreerd. [4] Op de zitting heeft de minister aangegeven niet te hebben onderzocht of sprake kon zijn van een toegewezen geboortedatum. De minister stelt zich op het standpunt dat de registratie in Griekenland is gebaseerd op verklaringen van eiser zelf, omdat eiser lange tijd in Griekenland heeft verbleven en er meerdere contactmomenten zijn geweest. Maar uit de verklaringen van eiser [5] blijkt dat hij uitgeput en ziek aankwam in Griekenland en dat hij daar meteen naar het ziekenhuis is gebracht. Ook heeft eiser verklaard dat hij zijn geboortedatum nooit zelf aan de Griekse autoriteiten heeft opgegeven. Naar het oordeel van de rechtbank kan er niet zonder meer vanuit worden gegaan dat deze verklaringen van eiser onjuist zijn, aangezien uit de ontvangen onderzoeksgegevens uit Griekenland niet valt op te maken onder welke omstandigheden de geboortedatum van [geboortedatum 2] 2005 in het Griekse registratiesysteem terecht is gekomen en verweerder daar ook geen nader onderzoek naar heeft verricht.
Daar komt bij dat het aannemelijk is – zoals de minister op zitting ook heeft aangegeven – dat de registratie van eisers geboortedatum in Portugal enkel is gebaseerd op de registratie in Griekenland, aangezien eiser naar Portugal reisde met een laissez-passer van de Griekse autoriteiten en er in Portugal geen interview heeft plaatsgevonden. Dit laatste kan volgens de rechtbank worden opgemaakt uit de ontvangen onderzoeksgegevens uit Portugal.
6.3.
Ten tweede is de rechtbank van oordeel dat ook de overgelegde geboorteakte een concreet aanknopingspunt voor de minister had moeten zijn om te twijfelen aan de in Griekenland en Portugal geregistreerde geboortedatum. Eiser stelt de geboorteakte te hebben ontvangen via een contactpersoon in Somalië. Het is aannemelijk dat eiser niet precies weet op welke wijze deze contactpersoon dit document heeft verkregen. Feit is dat eiser een geboorteakte heeft ontvangen. Ook het wijzen op algemene landeninformatie en de stelling dat het betrekkelijk eenvoudig is om een document te vervalsen in Somalië is onvoldoende, nu de geboorteakte echt bevonden is. Dat de geboorteakte geen identificerend document is en tardief is opgesteld, is ook geen reden om hier geen waarde aan te hechten. Uit de in rechtsoverweging 6 genoemde Afdelingsuitspraak blijkt immers dat de minister bij de beoordeling zowel officiële als onofficiële identificerende documenten moet betrekken. Gelet op de gestelde minderjarigheid en het referentiekader van eiser, is het tot slot volgens de rechtbank aannemelijk dat eiser niet precies meer weet waar en wanneer hij de geboorteakte heeft aangevraagd. Uit het nader gehoor blijkt namelijk dat eiser niet wist naar welk land hij ging, nadat hij uit Griekenland vertrok [6] . Hij heeft pas later te horen gekregen dat hij in Portugal is geweest. Eiser heeft in het nader gehoor [7] verder wisselend verklaard over in welk land hij contact met zijn neef heeft gehad over het verkrijgen van de geboorteakte, zodat niet valt uit te sluiten dat dit in een ander land dan Portugal was. Ook is van belang dat eiser verschillende keren heeft verklaard dat hij niet precies weet hoe dit is gegaan. De minister heeft eiser deze wisselende verklaringen tegengeworpen, maar daarbij heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser. Anders dan de minister stelt, had het referentiekader al in het voornemen opgenomen moeten worden en niet pas in het bestreden besluit als reactie op de zienswijze. [8] Het referentiekader van eiser is voorts alleen genoemd in het kader van de geloofwaardigheid van de beoordeling van de problemen met Al-Shabaab. Daarnaast is het vermelde referentiekader in het bestreden besluit niet volledig. Dat eiser in een rurale omgeving is opgegroeid is daarin namelijk niet benoemd.
6.4.
De rechtbank is – gelet op het vorenstaande – van oordeel dat de minister nader onderzoek moet doen naar de manier waarop de Griekse autoriteiten tot de leeftijdsregistratie van eiser zijn gekomen. Als inderdaad blijkt dat deze is gebaseerd op de verklaringen van eiser zelf, dan moet eiser in de gelegenheid worden gesteld om op deze informatie te reageren. Nu de minister heeft nagelaten dit onderzoek te verrichten, is het beroep al gegrond.
6.5.
Aangezien de geloofwaardigheid van eisers gestelde minderjarigheid van invloed is op het geldende referentiekader en de geloofwaardigheid van zijn overige asielmotieven blijven de verdere beroepsgronden hier onbesproken.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb [9] . De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
7.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 23 juni 2025;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.J. Snoeijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Vergelijk paragraaf C1/4.7. van de Vreemdelingencirculaire 2000.
5.Pagina 6 verslag nader gehoor.
6.Pagina 7 verslag nader gehoor.
7.Pagina 7 verslag nader gehoor.
8.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1622.
9.Algemene wet bestuursrecht.