Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging voor haar kinderen. Verweerder heeft de beslistermijn verlengd, maar heeft uiteindelijk geen besluit genomen binnen de wettelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat het beroep tijdig is ingediend en kennelijk gegrond is.
Verweerder hanteert het fifo-principe voor de behandeling van nareisaanvragen, waardoor de aanvraag van eiseres pas in december 2027 aan de beurt zou zijn. De rechtbank oordeelt dat dit een bijzonder geval is en legt op grond van de Awb een nadere beslistermijn van acht weken op, met een mogelijkheid tot verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek.
De rechtbank wijst een dwangsom toe van €100 per dag met een maximum van €15.000 om verweerder te bewegen binnen de gestelde termijn te beslissen. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiseres. De uitspraak is gedaan door rechter A.C.J. van Dooijeweert op 31 maart 2026.