Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7367

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
NL26.14985
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54 Algemene wet bestuursrechtHandvest van de grondrechten van de Europese UnieVerdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens overdracht aan Kroatië als Dublinclaimant

Eiser, van onbekende nationaliteit, vroeg op 1 november 2025 asiel aan in Nederland. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling, vastgesteld via het Eurodac-systeem en de Dublinverordening. Kroatië accepteerde het verzoek tot terugname op 30 december 2025.

Eiser stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet geldt vanwege pushbacks en politiegeweld in Kroatië, en dat klagen bij Kroatische autoriteiten onmogelijk is. De rechtbank oordeelde dat jurisprudentie van de Afdeling bevestigt dat het vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië blijft gelden, en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op een strijdige behandeling bij overdracht.

De rechtbank benadrukte dat de slechte behandeling die eiser ervoer bij eerste aankomst niet vergelijkbaar is met de situatie als Dublinclaimant. Eiser kan klachten indienen bij Kroatische autoriteiten indien nodig. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en de asielaanvraag wordt niet in behandeling genomen.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag wordt niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.14985

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Akhiat),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [2]

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [datum] 2001 en is van onbekende nationaliteit. Hij heeft op 1 november 2025 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit het Eurodac-systeem is gebleken dat eiser op 27 oktober 2025 illegaal via Kroatië het grondgebied van de EU is ingereisd en daar op dezelfde dag een asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening [3] de Kroatische autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Kroatische autoriteiten hebben dit verzoek op 30 december 2025 geaccepteerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Kroatië vaststaat.
3. Eiser voert aan dat ten aanzien van Kroatië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In Kroatië vinden nog altijd pushbacks plaats en vindt bij de buitengrenzen van Kroatië politiegeweld plaats. Eiser heeft dit zelf ondervonden. Daarover klagen bij de Kroatische autoriteten was onmogelijk, omdat eiser binnen enkele uren met geweld gedwongen de Sloveense grens werd overgezet. Bovendien kan verweerder voor Kroatië niet uitgaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel, wetende dat dit land zich schuldig maakt aan gewelddadige en illegale pushbacks en een structurele gewelddadige behandeling van asielzoekers
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Verweerder gaat er, gelet op de bevindingen vanuit Eurodac, terecht van uit dat Kroatië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Uit jurisprudentie van de Afdeling [4] blijkt dat ten aanzien van Kroatië nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [5] Hierbij is de Afdeling onder meer ingegaan op de onderwerpen (toegang tot de) asielprocedure, pushbacks en opvangvoorzieningen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Hierin is eiser niet geslaagd.
5. Kroatië heeft immers met het claimakkoord gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen.
De rechtbank is van oordeel dat eiser ook met zijn verklaringen over wat hij zelf in Kroatië heeft meegemaakt niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest [6] en artikel 3 van Pro het EVRM [7] strijdige behandeling. De verklaringen van eiser over de door hem ervaren slechte behandeling door de Kroatische autoriteiten gaan namelijk over de wijze waarop hij bij eerste aankomst in Kroatië is behandeld en niet over de situatie dat eiser als Dublinclaimant aan Kroatië zal worden overgedragen. [8] Over dit laatste kan eiser ook niet verklaren, nu hij niet eerder als Dublinclaimant is overgedragen aan Kroatië. Eiser zal ditmaal als Dublinclaimant gereguleerd worden overgedragen. Het is dan ook niet aannemelijk dat eiser in dezelfde situatie terecht zal komen als voorheen. Indien eiser in Kroatië toch wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, in de opvang of anderszins, kan hij hierover klagen bij de Kroatische (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen bij de Kroatische autoriteiten voor eiser niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.
6. Verweerder heeft, gelet op het voorgaande, eisers asielaanvraag terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 31 maart 2026 door mr. M.L. Weerkamp rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen , griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Zie de uitspraken van de Afdeling van 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4037) en 21 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5635).
6.Handvest van de grondenrechten van de Europese Unie.
7.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
8.Zie de Afdelingsuitspraak van 29 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1645, en punt 64 van het arrest van Het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195.