Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7328

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
NL25.30236
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 ProcedurerichtlijnArt. 6:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen niet tijdig beslissen op asielaanvraag met oplegging dwangsom

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden en dat de ingebrekestelling correct is gedaan. Verweerder heeft niet tijdig een besluit genomen, ondanks de wettelijke verplichtingen.

De rechtbank wijst het standpunt van verweerder af dat het beroep niet-ontvankelijk zou zijn en verklaart het beroep gegrond. De rechtbank draagt verweerder op om binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor het geval verweerder niet binnen deze termijn beslist.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende. De uitspraak is gebaseerd op relevante wetsartikelen en eerdere jurisprudentie, waarbij het 8+8-wekenmodel en de maximale beslistermijn van 21 maanden uit de Procedurerichtlijn centraal staan.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en kan binnen vier weken worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt verweerder op binnen twee weken te beslissen, met oplegging van een dwangsom en vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.30236
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[belanghebbende] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S. Sewnath),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Belanghebbende heeft beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Overwegingen

Voor het wettelijk kader en de aan het beroep ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak.
Is de beslistermijn overschreden?
( ) Ja, dit is tussen partijen niet in geschil.
( x ) Ja, verweerders standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard volgt de rechtbank niet. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van 11 november 2025. [2]
( ) Nee.
Is er een correcte ingebrekestelling en is het beroep meer dan twee weken later ingesteld?
( x ) Ja.
( ) Nee.
( ) Een ingebrekestelling is in dit geval niet vereist. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling [3] van 8 maart 2019. [4]
Is het beroep gegrond?
( x ) Ja.
( ) Nee. Het beroep is niet-ontvankelijk omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Binnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?
( ) De rechtbank stelt een termijn vast die aansluit bij het 8+8-wekenmodel zoals geformuleerd in de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020. [5] Het nader gehoor is nog niet afgenomen. Dat betekent dat de rechtbank verweerder thans nog zestien weken biedt om te beslissen op de asielaanvraag.
( ) De rechtbank stelt een termijn vast die aansluit bij het 8+8-wekenmodel zoals geformuleerd in de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020. [6] Het nader gehoor is al afgenomen. Dat betekent dat de rechtbank verweerder thans nog acht weken biedt om te beslissen op de asielaanvraag.
( ) De rechtbank stelt vast dat verweerder in het verleden uitdrukkelijk is opgedragen te beslissen op de aanvraag van belanghebbende, maar dat nog steeds niet heeft gedaan. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die daaraan sedertdien in de weg hebben gestaan. Dat betekent dat de rechtbank verweerder thans de standaardtermijn van twee weken biedt om te beslissen op de asielaanvraag.
( x ) De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag van belanghebbende te beslissen, maar uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak. De rechtbank stelt vast dat de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is verstreken zonder dat verweerder een besluit heeft genomen. [7]
Hoe hoog is de rechterlijke dwangsom als verweerder niet binnen deze termijn beslist?( x ) € 100,-, met een maximum van € 15.000,-.
( ) € 250,-, met een maximum van € 37.500,-.
Is er aanleiding om proceskosten vast te stellen?
( x ) Ja.
( ) Nee.
Hoe hoog zijn de te vergoeden proceskosten?De volgende proceskosten worden toegekend:
( x ) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5.
( ) 0,5 punt voor een nadere reactie met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5.
( ) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.
( ) 0,5 punt voor een nadere reactie met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank:
( ) verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
( x ) verklaart het beroep gegrond;
( x ) draagt verweerder op zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken;
( x ) bepaalt dat verweerder aan belanghebbende een dwangsom van
( x ) € 100,- ( ) € 250,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van ( x ) € 15.000,- ( ) € 37.500,-.
( x ) veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van
( x ) € 467,- ( ) € 700,50 ( ) € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter,
in aanwezigheid van mr. S. Özçelik, griffier.

Bijlage

Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [8] Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [9]
Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.
Verweerder is geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd. Voor de motivering van dit oordeel wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022. [10] Als de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.
Als verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. [11] Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen. [12]
De rechtbank stelt een termijn vast die aansluit bij het 8+8-wekenmodel zoals geformuleerd in de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020. [13]
De rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden. [14] Dit is de rechterlijke dwangsom. Daarbij past de rechtbank het landelijke beleid toe. [15] Voor de dwangsomtermijn wordt uitgegaan van een termijn van 150 dagen voor verweerder om alsnog een besluit te nemen. De rechtbank legt in beginsel een dwangsom op van € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,-. In geval van bijzondere omstandigheden kan van dit beleid worden afgeweken. Indien een sterke prikkel nodig is, wordt de dwangsom bepaald op € 250,- per dag, met een maximum van € 37.500,-.
Voor zover verweerder verzoekt om de dwangsom te verlagen, volgt de rechtbank hem hierin niet. De rechter kan dit doen als sprake is van bijzondere omstandigheden. Feitelijk gezien vraagt de verweerder om in alle zaken waarin hij werkt volgens het fifo-principe een lagere dwangsom toe te kennen. Dit zijn geen bijzondere omstandigheden, maar omstandigheden die algemeen van aard zijn en in feite gelden voor elke zaak. De rechtbank stelt daarom de hoogte van de dwangsom in deze zaak vast op een bedrag van zoals dat is opgenomen in het dictum.
Als het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder het griffierecht moet vergoeden als belanghebbende dat heeft betaald. [16] Als belanghebbende is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. [17] De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en/of een dwangsom is verbeurd.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
9.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
11.Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
12.Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
13.Uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560.
14.Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
15.Gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
16.Artikel 8:74, eerste lid, van de Awb.
17.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.