ECLI:NL:RBDHA:2026:7249
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging. De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling van griffierecht wegens betalingsonmacht toegewezen.
De aanvraag werd ingediend op 10 september 2024, met een beslistermijn van 90 dagen die met drie maanden werd verlengd. De minister had uiterlijk 9 maart 2025 moeten beslissen, maar heeft dit niet gedaan. Na een rechtsgeldige ingebrekestelling op 8 april 2025 en het verstrijken van meer dan twee weken, werd het beroep op 3 september 2025 tijdig ingesteld.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is. De minister hanteert het fifo-principe, waardoor de aanvraag pas in oktober 2027 aan de beurt zou komen, maar de rechtbank acht dit geen reden om af te wijken van de redelijke beslistermijnen zoals vastgesteld in eerdere jurisprudentie.
De rechtbank legt een termijn van acht weken op waarbinnen de minister een besluit moet nemen, met een mogelijke verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd. De minister wordt veroordeeld tot betaling van reeds verbeurde dwangsommen van €1.442 en de proceskosten van €467.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt een termijn en dwangsom op aan de minister voor het niet tijdig beslissen op de aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf.