Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7245

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
NL26.13289
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring zonder zicht op uitzetting

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die op 16 december 2025 door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd. Eiser betoogde dat er geen zicht was op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn, mede omdat de Algerijnse autoriteiten nog geen laissez-passer hadden afgegeven en geen datum bekend was voor presentatie aan deze autoriteiten. Tevens stelde eiser dat vanwege de lange duur van de bewaring een lichter middel toegepast had moeten worden.

De rechtbank overwoog dat de maatregel van bewaring reeds eerder was getoetst en rechtmatig was bevonden tot 24 december 2025. De toetsing richtte zich daarom op de periode van 24 december 2025 tot 16 maart 2026. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak volgt dat er sinds december 2023 in het algemeen zicht is op uitzetting naar Algerije. De rechtbank zag geen reden om dit voor eiser anders te beoordelen, mede omdat de lp-aanvraag nog in behandeling was en geen aanwijzingen bestonden dat Algerije niet zou meewerken.

Daarnaast concludeerde de rechtbank dat eiser onvoldoende meewerkte aan zijn terugkeer, aangezien hij geen pogingen deed om identiteitsdocumenten te verkrijgen en liever naar Spanje of elders in Europa wilde vertrekken. Het beroep op een lichter middel werd verworpen omdat geen gewijzigde omstandigheden waren die het risico op onttrekking hadden verminderd of de maatregel onevenredig bezwarend maakten.

Tot slot voerde de rechtbank een ambtshalve toetsing uit conform het arrest van het Hof van Justitie van de EU en vond geen onrechtmatigheid in het voortduren van de maatregel. Ook waren er geen bezwaren vanuit het familie- en gezinsleven of het non-refoulementbeginsel. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13289

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. H.W. Omvlee),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 16 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het vooronderzoek gesloten op 16 maart 2026.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 31 december (in de zaak NL25.61698) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 24 december. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 24 december 2025 tot 16 maart 2026.
Zicht op uitzetting
3. Eiser betoogt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije ontbreekt. Daartoe voert eiser in de eerste plaats aan dat hij inmiddels al meer dan drie maanden in vreemdelingenbewaring zit, maar dat de Algerijnse autoriteiten nog steeds geen laissez-passer (lp) hebben afgegeven. Evenmin is er een datum bekend waarop eiser bij de Algerijnse autoriteiten gepresenteerd zal worden.
4. De rechtbank stelt voorop dat (sinds december 2023) in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije wordt aangenomen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1892), 15 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2842) en 27 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:722). De rechtbank ziet ook ten aanzien van eiser persoonlijk geen aanleiding om aan te nemen dat het zicht op uitzetting ontbreekt. De op 22 december 2025 voor eiser ingediende lp-aanvraag is nog in behandeling bij de Algerijnse autoriteiten. Hiermee kan langere tijd gemoeid zijn. Het is de rechtbank niet gebleken dat de Algerijnse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat zij ten behoeve van eiser geen lp zullen afgeven of dat zij niet (meer) willen meewerken aan de terugkeerprocedure. Dat op dit moment niet bekend is of en wanneer eiser gepresenteerd zal worden aan de Algerijnse autoriteiten, betekent niet dat de lp-aanvraag stilligt en is onvoldoende voor het oordeel dat er geen lp zal worden afgegeven. Daar komt bij dat eiser naar het oordeel van de rechtbank ook zelf onvoldoende meewerkt aan zijn terugkeer. Uit verslagen van de vertrekgesprekken van 5 januari 2026, 30 januari en 26 februari 2026 blijkt dat eiser niets heeft ondernomen om alsnog aan identiteitsdocumenten te komen en niet naar Algerije maar naar Spanje dan wel elders in Europa wil vertrekken. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

5. Eiser stelt dat, gelet op de duur van de bewaring en het uitblijven van enige voortgang aan de kant van de Algerijnse autoriteiten, inmiddels aanleiding bestaat om te volstaan met een lichter middel.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht geen lichter middel heeft toegepast. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er zich in de te toetsen periode gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan waardoor het risico op onttrekking is afgenomen, of waardoor de maatregel onevenredig bezwarend is geworden. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

7. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 24 december 2025 tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Er is ook niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering (zoals bedoeld in het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.C.M. Burger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.