De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die op 16 december 2025 door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd. Eiser betoogde dat er geen zicht was op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn, mede omdat de Algerijnse autoriteiten nog geen laissez-passer hadden afgegeven en geen datum bekend was voor presentatie aan deze autoriteiten. Tevens stelde eiser dat vanwege de lange duur van de bewaring een lichter middel toegepast had moeten worden.
De rechtbank overwoog dat de maatregel van bewaring reeds eerder was getoetst en rechtmatig was bevonden tot 24 december 2025. De toetsing richtte zich daarom op de periode van 24 december 2025 tot 16 maart 2026. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak volgt dat er sinds december 2023 in het algemeen zicht is op uitzetting naar Algerije. De rechtbank zag geen reden om dit voor eiser anders te beoordelen, mede omdat de lp-aanvraag nog in behandeling was en geen aanwijzingen bestonden dat Algerije niet zou meewerken.
Daarnaast concludeerde de rechtbank dat eiser onvoldoende meewerkte aan zijn terugkeer, aangezien hij geen pogingen deed om identiteitsdocumenten te verkrijgen en liever naar Spanje of elders in Europa wilde vertrekken. Het beroep op een lichter middel werd verworpen omdat geen gewijzigde omstandigheden waren die het risico op onttrekking hadden verminderd of de maatregel onevenredig bezwarend maakten.
Tot slot voerde de rechtbank een ambtshalve toetsing uit conform het arrest van het Hof van Justitie van de EU en vond geen onrechtmatigheid in het voortduren van de maatregel. Ook waren er geen bezwaren vanuit het familie- en gezinsleven of het non-refoulementbeginsel. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.