ECLI:NL:RBDHA:2026:7240
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang na vertrek met onbekende bestemming
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag door de minister van Asiel en Migratie. De minister wees de aanvraag op 10 juli 2024 als ongegrond af. Tijdens de zitting op 19 maart 2026 was eiser niet aanwezig en ook zijn gemachtigde kon niet verschijnen vanwege verhindering. De minister werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
De rechtbank overwoog dat uit informatie van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) bleek dat eiser sinds 5 december 2024 met onbekende bestemming was vertrokken. Tevens was eiser niet verschenen bij het vertrekgesprek van 14 juli 2025 bij de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V). De advocaat van eiser gaf aan dat er geen contact meer was met eiser.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt bij vertrek met onbekende bestemming in beginsel aangenomen dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op de bescherming in Nederland. Omdat eiser geen contact meer had met zijn advocaat en met onbekende bestemming vertrokken was, concludeerde de rechtbank dat eiser geen belang meer had bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
De rechtbank verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 19 maart 2026.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na vertrek met onbekende bestemming.