ECLI:NL:RBDHA:2026:7231
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning wegens onvoldoende belangenafweging artikel 8 EVRM
Eiser, van Surinaamse nationaliteit, kreeg in 2019 een verblijfsvergunning voor verblijf bij familie- of gezinslid. In 2024 trok de minister deze vergunning met terugwerkende kracht in vanwege het beëindigen van zijn relatie met zijn toenmalige partner. Eiser stelde dat de intrekking in strijd was met artikel 8 EVRM Pro, het recht op gezinsleven, mede vanwege zijn band met zijn minderjarige dochter en zijn nieuwe relatie.
De rechtbank voerde een kindgesprek met de minderjarige dochter en nam haar belangen mee in de beoordeling. De minister had onvoldoende rekening gehouden met het belang van de dochter, de langdurige verblijfsperiode van de kinderen in Nederland, het onderwijs en de zorgsituatie van eiser. Ook was de nieuwe relatie van eiser niet betrokken in de belangenafweging, terwijl dit onder het privéleven valt volgens jurisprudentie van het EHRM.
De rechtbank oordeelde dat de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden had betrokken en onvoldoende had gemotiveerd waarom het economisch belang van Nederland zwaarder zou wegen dan het gezinsleven van eiser. De belangenafweging was daardoor niet zorgvuldig en niet draagkrachtig gemotiveerd. De rechtbank vernietigde het besluit en gaf de minister zes weken om een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening moet worden gehouden met deze uitspraak.
Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat het beroep nu is beslist. Eiser kreeg een proceskostenvergoeding toegewezen. De rechtbank benadrukte dat zij niet zelf een verblijfsvergunning kan verlenen, maar toetst of het besluit van de minister zorgvuldig is genomen.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens onvoldoende belangenafweging en motivering, en de minister moet een nieuw besluit nemen.