ECLI:NL:RBDHA:2026:7163

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
NL26.10802
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 50 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 5, onder a) en b), richtlijn 2008/115Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser voerde aan dat het terugkeerbesluit niet rechtsgeldig was bekendgemaakt en dat de ophouding op een onjuiste grondslag had plaatsgevonden. Daarnaast stelde hij dat een lichter middel dan bewaring had moeten worden toegepast.

De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit wel rechtsgeldig was bekendgemaakt, ondanks dat het rapport van bevindingen niet expliciet vermeldde dat een melding van terinzagelegging was opgehangen. De rechtbank ging ervan uit dat alle noodzakelijke handelingen voor terinzagelegging waren verricht en verwees naar jurisprudentie die dit bevestigt. Ook was de ophouding terecht gebaseerd op artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet, omdat eiser geen identificerend document had en zijn identiteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld.

De rechtbank achtte de zwaarwegende gronden voor bewaring, waaronder het risico op ontduiking van toezicht en eerdere uitzetting, voldoende onderbouwd. De door eiser aangevoerde persoonlijke omstandigheden en het verzoek om toepassing van een lichter middel werden niet gegrond bevonden. De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig was en dat het verzoek om schadevergoeding daarom werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10802

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.C. de Jong),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Barzizaoua. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Bekendmaking terugkeerbesluit
1. Eiser stelt zich op het standpunt dat het terugkeerbesluit van 2 februari 2026 niet op een rechtsgeldige wijze is bekendgemaakt en de bewaringsmaatregel daar dus ook niet op kon worden gebaseerd. Hiertoe voert hij aan dat uit het rapport van bevindingen van 2 februari 2026 weliswaar blijkt dat het terugkeerbesluit ter inzage is gelegd in het asielzoekerscentrum in Ter Apel, maar niet dat daar ook een melding van terinzagelegging is opgehangen. Dit had wel gemoeten, omdat hij geen gemachtigde had en zijn verblijfplaats onbekend was. Eiser verwijst hiervoor onder meer daar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 oktober 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY0852).
2. Uit paragraaf C1/2.13.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 volgt dat als bij verweerder geen gemachtigde van de vreemdeling bekend is, en het niet mogelijk is de beschikking in persoon aan de vreemdeling uit te reiken, op de daarvoor bestemde plek in het aanmeldcentrum een melding van terinzagelegging wordt opgehangen. Verweerder stelt een rapport van bevindingen op waarin wordt vastgelegd welke handelingen zijn verricht om de beschikking bekend te maken.
3. Eiser stelt terecht dat in het rapport van bevindingen van 2 februari 2026 niet expliciet is opgenomen dat er een melding van terinzagelegging is opgehangen. Het was handig geweest als dit wel was gebeurd. Het blijkt echter wel dat het besluit ter inzage is gelegd. De rechtbank gaat er vanuit dat daarmee is bedoeld dat alle voor terinzagelegging benodigde handelingen zijn verricht. Eiser heeft ook geen aanknopingspunten voor het tegendeel aangedragen, zoals dat hij de plek bestemd voor het ophangen van de melding van terinzagelegging in de gaten heeft gehouden en daar niets heeft gezien. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar de bevestiging van de Afdeling van een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 11 november 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:18519; ECLI:NL:RVS:2024:5348), waarin de terinzagelegging als zodanig voldoende is geacht voor het op juiste wijze bekendmaken van het terugkeerbesluit. De uitspraak van de Afdeling waarnaar eiser verwijst gaat, anders dan hier, over de situatie waarin het besluit volgens het rapport (slechts) bij de balie van het AC Ter Apel was achtergelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is het terugkeerbesluit dus op de juiste wijze bekendgemaakt.
Grondslag van de ophouding
4. Eiser betoogt verder dat de ophouding heeft plaatsgevonden op een onjuiste grondslag. Uit het proces-verbaal van voorgeleiding na aanhouding blijkt namelijk dat eisers identiteit al bekend was. Daarnaast is eiser al eerder uitgezet waardoor hij al (vreemdelingrechtelijk) bekend was bij verweerder. Eiser had dan ook niet op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw maar op grond van het derde lid van dat artikel moeten worden opgehouden.
5. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, zoals de uitspraak van 25 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:134), volgt dat verweerder de in het kader van de strafrechtelijke aanhouding verkregen gegevens over de identiteit van de vreemdeling als uitgangspunt mag nemen, maar daartoe niet verplicht is. Vaststaat dat eiser ten tijde van zijn ophouding niet beschikte over een identificerend document. Dit heeft eiser ook zelf bevestigd tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling. Gelet hierop heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat zijn identiteit op het moment van ophouding niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder eiser terecht op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw heeft opgehouden. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
6. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, en de daarop gegeven toelichtingen, niet betwist. De onbestreden zware gronden 3a en 3b, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel dragen. Er volgt namelijk uit dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige bewaringsgronden kunnen daarom onbesproken blijven.
Lichter middel
8. Eiser heeft ter zitting nog een aantal persoonlijke omstandigheden aangevoerd die de rechtbank heeft opgevat als het standpunt dat verweerder met een lichter middel dan de vreemdelingenbewaring had moeten volstaan. Zo stelt eiser dat hij verblijfsdocumenten heeft van Italië en Frankrijk. Daarnaast stelt hij familie in Duitsland en in Nederland te hebben, en een vriend in Almere waar hij kan verblijven. Daarnaast stelt hij samen met zijn vriendin te wonen die mogelijk zwanger is. Ook is eiser in afwachting van stukken van de directie van een voetbalclub. Hij heeft het telefoonnummer van VluchtelingenWerk Nederland om daar een afspraak mee te maken, en het consulaat is daarvan op de hoogte. Bovendien voert eiser aan dat hij erg moe is geworden van detentie en dat hij een afspraak heeft met een psychiater. In het verleden heeft hij zichzelf beschadigd. Tot slot voert eiser aan dat hij graag op een andere plek zou verblijven dan in het detentiecentrum.
9. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Verweerder wijst in dit verband allereerst terecht op de niet-bestreden gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het significante onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. De rechtbank acht het daarbij van bijzonder belang dat eiser eerder al eens is uitgezet (op 29 december 2023) waarna hij opnieuw Nederland is ingereisd. Daarnaast is eiser eerder met onbekende bestemming vertrokken (op 24 januari 2026) en beschikt hij niet over officiële identificerende documenten. De omstandigheid dat eiser bij een vriend zou kunnen verblijven, doet aan dat onttrekkingsrisico niet af. Ook heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in de maatregel voldoende rekening gehouden met omstandigheden die door eiser in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling en tijdens de zitting opnieuw zijn aangevoerd. Dit geldt ook voor de specifiek door eiser aangevoerde omstandigheden zoals zijn vriendin in Nederland en familieleden in de Europese Unie. Eiser heeft ook niet zijn verblijfsrecht in Italië, dan wel Frankrijk kunnen aantonen. Verder overweegt de rechtbank dat in het detentiecentrum medische voorzieningen aanwezig zijn, mocht eiser dit gezien zijn medische of psychische gesteldheid nodig hebben. Uit de uitspraak van de Afdeling van 5 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:16) volgt dat medische voorzieningen in het detentiecentrum vergelijkbaar moeten worden verondersteld met de medische zorg in de vrije maatschappij. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
10. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.