ECLI:NL:RBDHA:2026:7162

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
NL26.11582
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 28 Wet beëdigde tolken en vertalersArt. 5.5 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 36 Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingenArt. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling wegens risico op toezichtontduiking

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde onder meer dat onduidelijk is wanneer zijn strafrechtelijke detentie eindigde, dat het tolkennummer ontbrak en dat hij geen consulaire bijstand kon verkrijgen.

De rechtbank oordeelt dat het tijdstip van beëindiging van de strafrechtelijke detentie niet uit het dossier blijkt, maar dat de vreemdelingrechtelijke ophouding om 14:20 uur begon en dat eventuele eerdere detentie onder strafrecht viel, waarover de vreemdelingenrechter niet kan oordelen. Het ontbreken van een tolkennummer vormt geen gebrek omdat het proces-verbaal vermeldt dat een beëdigde tolk is gebruikt en eiser geen concrete aanwijzingen gaf die dit betwijfelen.

Ook is vastgesteld dat eiser is gewezen op zijn recht op consulaire bijstand en dat hij dit recht later ontkende te willen gebruiken. De zware gronden voor bewaring, waaronder het risico op toezichtontduiking, zijn niet betwist en worden door de rechtbank als voldoende gemotiveerd beoordeeld. De rechtbank wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.11582

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

verweerder van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen T. Koc. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Onduidelijkheid tijdstip beëindiging strafrechtelijke detentie
1. Eiser voert aan dat uit het dossier niet op te maken is op welk tijdstip zijn strafrechtelijke detentie op 24 februari 2026 is geëindigd. Hierdoor is het onduidelijk of de vreemdelingendetentie hier aansluitend op heeft plaatsgevonden. Eiser voert daartoe aan dat een strafrechtelijke detentie vaak eindigt om 08:00 uur, waardoor hij mogelijk enige tijd zonder titel gedetineerd heeft gezeten, en geconcludeerd dient te worden dat de vreemdelingrechtelijke ophouding langer heeft geduurd dan 6 uur.
2. Op zich is juist dat uit het dossier niet volgt wanneer de strafrechtelijke detentie is geëindigd, zoals verweerder ook heeft erkend. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek blijkt echter dat de vreemdelingrechtelijke ophouding op 24 februari 2026 om 14:20 uur is aangevangen. Op het moment van ophouding is de strafrechtelijke detentie feitelijk beëindigd. Voor zover eiser – hetgeen verder niet is gebleken – voorafgaand aan de ophouding enige tijd zonder titel gedetineerd heeft gezeten is dit dus in het kader van het strafrecht geweest. Daarover kan de bewaringsrechter volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 8 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2400) niet oordelen. Het gaat namelijk om de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 toegekende bevoegdheden. Alleen als de onrechtmatigheid van de aanwending van deze bevoegdheden door een daartoe bevoegde rechter is vastgesteld, kan de vreemdelingenrechter zich gesteld zien voor de vraag naar de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van de inbewaringstelling. Daarvan is in dit geval geen sprake. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ontbreken tolkennummer ophouding
3. Eiser voert verder aan dat niet gecontroleerd kan worden of met hem gesproken is met behulp van een beëdigde Turkse tolk, omdat er in het proces-verbaal van ophouding en onderzoek geen tolkennummer is opgenomen. Ook dit is een gebrek volgens eiser.
4. Als bij de ophouding gebruik wordt gemaakt van een tolk, moet deze in beginsel beëdigd zijn (zie artikel 28 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers). Het is aan verweerder om zich hiervan te vergewissen. In het proces-verbaal van ophouding en onderzoek staat dat gebruik is gemaakt van beëdigde tolk. Dit is een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal en eiser heeft geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die de rechtbank doen twijfelen aan de juistheid ervan. Dat geen naam of tolkennummer is vermeld, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen gebrek. De beroepsgrond slaagt niet.
Consulaire bijstand
5. Eiser voert ook aan dat uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek blijkt dat hij te kennen heeft gegeven consulaire bijstand te willen, maar niet gebleken is dat hij in de gelegenheid is gesteld om contact op te nemen. Eiser verwijst in dit kader naar artikel 5.5 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en artikel 36 van Pro het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen.
6. In het proces-verbaal van ophouding en onderzoek van 14.20 uur staat aangekruist dat eiser erop is gewezen dat hij contact kon opnemen met diverse personen en instanties (waaronder de diplomatieke vertegenwoordiging van Turkije), tegen de maatregel beroep kan instellen en in geval van verhoor recht heeft op een advocaat en beëdigd tolk. Aangekruist is vervolgens dat hij te kennen gaf daarvan gebruik te willen maken. Uit het proces-verbaal van gehoor (M110) van diezelfde dag om 15.45 uur blijkt dat eiser is gevraagd of hij gebruik wil maken van zijn recht op consulaire bijstand en dat hij ontkennend heeft geantwoord. Hieruit heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank mogen opmaken dat eiser hieraan geen behoefte (meer) had. Verweerder heeft er daarnaast terecht op gewezen dat het eiser altijd vrij staat dit alsnog te doen. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
7. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
8. Verweerder heeft de lichte grond 4e ter zitting laten vallen. Deze grond ligt dus niet langer ten grondslag aan de maatregel van bewaring.
9. Eiser betwist lichte grond 4d. Hiertoe voert hij aan dat hij beschikt over €1.000,-, wat voldoende is om terug te reizen naar Frankrijk.
10. Eiser heeft de zware gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, en de daarop gegeven toelichtingen, niet betwist. De onbestreden zware gronden 3a en 3b, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel dragen. Er volgt namelijk uit dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige bewaringsgronden kunnen daarom onbesproken blijven.
Lichter middel voldoende gemotiveerd?
11. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in zijn geval niet kan worden volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Hoewel eiser in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft opgemerkt dat hij in vrijheid wil leven, heeft eiser in de maatregel een kruisje gezet bij de regel dat eiser geen omstandigheden heeft aangevoerd die zouden moeten leiden tot het opleggen dan wel voortzetten van een minder dwingende maatregel.
12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De rechtbank overweegt dat verweerder bij die motivering in beginsel mag volstaan met een verwijzing naar de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd (zie de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1205). In de motivering van de gronden heeft verweerder namelijk onder meer betrokken dat eiser zonder geldige documenten Nederland is ingereisd en zich na aankomst in Nederland nooit heeft gemeld bij de korpschef. Verweerder kon daaruit afleiden dat het significante risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Eisers verklaring dat hij in vrijheid wil leven is een algemeen bezwaar tegen detentie. Algemene bezwaren hoeven niet kenbaar meegenomen te worden, zoals volgt uit de Afdelingsuitspraak van 28 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2164). Eiser is expliciet gevraagd om andere redenen naar voren te brengen om af te zien van inbewaringstelling, maar die heeft hij niet gegeven. Verweerder heeft daarom in de maatregel kunnen volstaan met de opmerking dat door eiser geen omstandighedenheden zijn aangevoerd die zouden moeten leiden tot het opleggen van een minder dwingende maatregel. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
13. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.