ECLI:NL:RBDHA:2026:705

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
NL25.32533
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 42 Vreemdelingenwet 2000Art. 43 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding na niet tijdig beslissen op asielaanvraag tijdens BVM Soedan

Verzoeker stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Nadat de minister alsnog een besluit nam, trok verzoeker het beroep in en vorderde proceskostenvergoeding.

De rechtbank oordeelde dat de minister pas na het indienen van het beroep een besluit nam, waardoor de minister aan verzoeker tegemoet is gekomen en de proceskosten moet vergoeden. De rechtbank verwierp de stelling van de minister dat de beslistermijn nog niet was verlopen op grond van het wijzigingsbesluit WBV 2023/3.

De rechtbank achtte het wijzigingsbesluit onrechtmatig gelet op een arrest van het Hof van Justitie van de EU, waardoor de beslistermijn in beginsel zes maanden bedraagt. Het Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) voor Soedan werd door de rechtbank geïnterpreteerd als opschorting van de beslistermijn, niet verlenging.

De aanvraag van verzoeker viel binnen de geldigheid van het BVM, dat op 9 juli 2024 eindigde waarna de beslistermijn weer ging lopen. De minister besloot niet binnen de wettelijke termijn na het einde van het BVM, waardoor het beroep ontvankelijk was en terecht werd ingesteld.

De rechtbank veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 467,-.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten wegens niet tijdig beslissen op de asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32533

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], verzoeker,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om de minister te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Vervolgens heeft de minister alsnog een besluit genomen. Verzoeker heeft daarop het beroep ingetrokken en daarbij gevraagd om de minister te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten. [2]
3. De rechtbank stelt vast dat de minister pas na het indienen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen alsnog een besluit heeft genomen. Daarmee is de minister aan verzoeker tegemoetgekomen. De minister dient daarom de proceskosten van verzoeker te betalen.
4. De rechtbank volgt de minister niet in de stelling dat op grond van WBV 2023/3 [3] de beslistermijn nog niet was verlopen.
4.1.
Gelet op de datum van de aanvraag is WBV 2023/3 [4] het in deze zaak toepasselijke wijzigingsbesluit. Anders dan deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 11 april 2024 [5] heeft geoordeeld, is zij nu van oordeel dat dit besluit onrechtmatig is, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2025. [6] Dit betekent dat de minister in dit geval in beginsel binnen zes maanden een beslissing op de aanvraag van eiser diende te nemen. De minister moet in principe binnen zes maanden na het ontvangen van de aanvraag beslissen. [7] Met het besluit van 28 juni 2023 heeft de minister een Besluit- en Vertrekmoratorium [8] (BVM) ingesteld voor vreemdelingen uit Soedan. Met het besluit van 19 december 2023 is de geldigheid van het BVM verlengd. [9] Deze gold tot en met 8 juli 2024.
4.2.
De minister legt het BVM zo uit dat de beslistermijn voor lopende asielaanvragen van vreemdelingen uit Soedan is verlengd met een jaar tot ten hoogste 21 maanden en baseert zich op artikel 43, eerste lid, van de Vw. De rechtbank volgt deze uitleg niet en zal de term ‘verlengen’ opvatten als ‘opschorten’. Aan de Procedurerichtlijn en het bepaalde in artikel 31, vierde lid, kent de rechtbank meer gewicht toe nu dat van recentere datum is dan de totstandkoming van de Vreemdelingenwet en het bepaalde in artikel 43. Daarnaast spreekt de Engelse versie van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn over postpone. De rechtbank vindt ook steun in het doel en de strekking van een BVM. Een BVM ziet op de situatie waarin niet beslist kan worden op aanvragen, omdat de situatie in het land van herkomst zodanig complex is dat geen weloverwogen besluit kan worden genomen. Op het moment dat de situatie niet langer complex is en het BVM niet langer van kracht is, gaat de beslistermijn weer lopen en kan de minister weer besluiten nemen. Dat de wet en het BVM zelf over verlengen spreken in plaats van over opschorten doet hieraan niet af. [10]
4.3.
In de zaak van eiser geldt dat de aanvraag op 27 september 2023 is ingediend, gedurende de geldigheid van het BVM Soedan. Het BVM Soedan is op 9 juli 2024 beëindigd en de beslistermijn is op die datum gaan lopen. De wettelijke beslistermijn is geëindigd op 9 januari 2025. Eiser heeft de minister op 1 juli 2025 gevraagd om alsnog binnen 14 dagen te beslissen. De minister heeft niet binnen twee weken na de ingebrekestelling beslist op de aanvraag. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. [11] Het beroep was dan ook ontvankelijk en de beslistermijn was verlopen. Eiser heeft dan ook terecht beroep ingesteld. De minister is daarom gehouden tot het vergoeden van de proceskosten.

Conclusie en gevolgen

5. Het verzoek wordt toegewezen. De minister moet de door verzoeker gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-. [12]

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van
A.S. van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Awb, nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023/3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Stcrt. 2023, 3235.
4.Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023/3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Stcrt. 2023, 3235.
6.ECLI:EU:C:2025:326, alsmede de conclusie van de advocaat-generaal: ECLI:EU:C:2024:1028.
7.Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
8.Besluit van 28 juni 2023 tot het instellen van een besluitmoratorium en een vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Sudan (
9.Besluit van 19 december 2023 tot het verlengen van het besluitmoratorium en een vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Sudan (
11.Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb.
12.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5.