ECLI:NL:RBDHA:2026:6810

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
NL25.62652
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vw 2000Art. 94 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

De minister heeft op 25 november 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, stellende dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en dat hij detentieongeschikt is vanwege schizofrenie.

De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld. Hoewel eiser voorafgaand aan de bewaring in strafrechtelijke detentie zat, heeft de minister gedurende die periode inspanningen verricht om overdrachtshandelingen te verrichten. De minister heeft claimverzoeken naar Duitsland, Zwitserland en Spanje verzonden, waarbij Spanje de overdracht heeft geaccepteerd. De overdracht is gepland op 8 januari 2026.

Ten aanzien van de detentiegeschiktheid stelt de rechtbank vast dat eiser weliswaar mogelijk verward overkomt, maar dat er geen medische onderbouwing is dat hij detentieongeschikt is. Een forensisch arts heeft eiser als detentiegeschikt beoordeeld. De minister heeft voldoende medische zorg geboden.

De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.868,00. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62652

uitspraak van de enkelvoudige kamer van DATUM in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. B.A. Palm),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van de bewaring in kennis gesteld op 18 december 2025. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 30 december 2025 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
1. Eiser heeft de aan de maatregel ten grondslag gelegde zware en lichte gronden niet betwist. Hij voert aan dat de maatregel moet worden opgeheven omdat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Niet alleen heeft eiser voor de inbewaringstelling in strafrechtelijke detentie gezeten, zodat de minister reeds voorafgaand aan zijn inbewaringstelling uitzettingshandelingen kunnen verrichten, ook heeft zowel het claimverzoek aan Duitsland als Zwitserland niet tot een afwijzing geleid. Een overdracht is niet tijdig genoeg tot stand gekomen. Daarbij ziet eiser ook niet in waarom de minister een claimverzoek heeft verzonden naar Duitsland, nu hij zijn laatste asielverzoek in Zwitserland heeft gedaan. Daarmee is tijd verloren gegaan.
1.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld. Eiser heeft van 13 november 2025 tot en met 25 november 2025 in strafrechtelijke detentie doorgebracht. De minister heeft gedurende de strafrechtelijke detentie in beginsel een inspanningsverplichting. Volgens paragraaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is namelijk het uitgangspunt dat zoveel mogelijk moet worden voorkomen dat personen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring moeten worden gesteld. De minister had gedurende de strafrechtelijke detentie inderdaad overdrachtshandelingen kunnen verrichten. De minister heeft dit op de zitting ook erkend. Dit betekent echter niet dat de maatregel daarom onrechtmatig is. Er is namelijk nog ruimte voor een belangenafweging en naar het oordeel van de rechtbank valt die niet in het voordeel van eiser uit. De duur van de strafrechtelijke detentie – en daarmee de duur van de schending van de inspanningsverplichting – was beperkt en eiser heeft niet bestreden dat voldoende gronden bestaat om een onttrekkingsrisico aan te nemen. Wel leidt dit gebrek ertoe dat de minister moet worden veroordeeld in de proceskosten.
1.2.
Aan het voorgaande wordt toegevoegd dat de minister voortvarend heeft gehandeld vanaf de oplegging van de maatregel. Uit vaste rechtspraak volgt dat het starten met de daadwerkelijke voorbereiding van de uitzetting op de zevende dag voldoende voortvarend is. [1] De minister heeft overdrachtshandelingen verricht vanaf de derde dag van de inbewaringstelling. Zo heeft de minister op 27 november 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser en nogmaals op 23 december 2025. Ook heeft de minister op 27 november 2025 een claimverzoek verzonden naar de Duitse autoriteiten. Anders dan eiser stelt, heeft de minister voor dit claimverzoek een aanleiding kunnen zien. Uit het Eurodac onderzoek volgt namelijk dat eiser op 6 februari 2023 een asielaanvraag in Duitsland heeft gedaan. Eiser heeft dit zelf ook verklaard tijdens het gehoor. Er was daarom een concreet aanknopingspunt om een claimverzoek naar Duitsland te verzenden. Op 2 december 2025 zijn de Duitse autoriteiten niet akkoord gegaan met het claimverzoek. Op 2 december 2025 is er een claimverzoek verzonden naar de Zwitserse autoriteiten, die het verzoek hebben afgewezen op 12 december 2025. Nadien is op 18 december 2025 een claimverzoek verzonden naar de Spaanse autoriteiten, welke de Spaanse autoriteiten hebben geaccepteerd. De overdracht is gepland op 8 januari 2026.
Is eiser detentiegeschikt?
2. Eiser voert aan dat hij detentieongeschikt is. Eiser lijdt naar eigen zeggen aan schizofrenie. Gemachtigde van eiser heeft op zitting verklaard dat een gesprek met eiser moeilijk is en dat hij verward lijkt.
2.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Op zitting heeft de rechtbank kunnen vaststellen dat eiser in staat is te verklaren maar dat zijn verklaringen soms getuigen van een mogelijk verward beeld. Zo zegt hij in te kunnen stemmen met een overdracht aan Spanje maar vraagt hij zich af of vliegtuigen kunnen exploderen. Desondanks is dit onvoldoende voor het oordeel dat de minister had moeten vaststellen dat hij detentiegeschikt is. Voorop wordt gesteld dat eiser niet met medische stukken heeft onderbouwd dat hij medische of psychische problemen heeft of dat deze problemen zodanig zijn dat hij detentieongeschikt is. Tijdens het gehoor heeft eiser aangegeven dat hij last heeft van stress en dat hij lijdt aan schizofrenie. Hiervoor heeft eiser medicijnen gekregen, maar deze gebruikt hij nu niet. In de maatregel heeft de minister vermeld dat eiser soms verward overkomt. Eiser is daarom gezien door een arts van Forensisch Artsen Rotterdam-Rijnmond (FARR), die geen aanleiding zag voor de uitgifte van medicatie. Eiser werd door deze arts detentiegeschikt geacht. De minister zag daarom terecht geen aanleiding om eiser te plaatsen in het Centrum voor Transculturele Psychiatrie (CTP) Veldzicht. Aan eiser is daarna medegedeeld dat hij te allen tijde een beroep kan doen op de FARR arts of op het medische team op het detentiecentrum. Ten aanzien van de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra mag de minister zich op het standpunt stellen dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. [2]
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
3. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [3]

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. De maatregel van bewaring is rechtmatig.
4.1.
De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ABRvS 29 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK2270; ABRvS 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.
2.ABRvS 5 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:16.
3.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).