De minister heeft op 25 november 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, stellende dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en dat hij detentieongeschikt is vanwege schizofrenie.
De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld. Hoewel eiser voorafgaand aan de bewaring in strafrechtelijke detentie zat, heeft de minister gedurende die periode inspanningen verricht om overdrachtshandelingen te verrichten. De minister heeft claimverzoeken naar Duitsland, Zwitserland en Spanje verzonden, waarbij Spanje de overdracht heeft geaccepteerd. De overdracht is gepland op 8 januari 2026.
Ten aanzien van de detentiegeschiktheid stelt de rechtbank vast dat eiser weliswaar mogelijk verward overkomt, maar dat er geen medische onderbouwing is dat hij detentieongeschikt is. Een forensisch arts heeft eiser als detentiegeschikt beoordeeld. De minister heeft voldoende medische zorg geboden.
De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.868,00. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.