Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6700

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
NL23.30822
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbArtikel 28 VwArtikel 4 lid 3 KwalificatierichtlijnArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag transgender vrouw uit Cuba wegens onvoldoende motivering

Eiseres, een transgender vrouw uit Cuba, diende op 26 december 2021 een asielaanvraag in die op 1 september 2023 werd afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de afwijzing niet in stand kan blijven omdat verweerder ten onrechte het criterium van een fundamentele politieke overtuiging hanteerde en onvoldoende motiveerde waarom aanvullend verklaard seksueel misbruik door haar oom zwaar in haar nadeel weegt. Ook is onvoldoende rekening gehouden met het iMMO-rapport.

Eiseres verklaarde ontvoerd en mishandeld te zijn, met een oom die haar jarenlang seksueel misbruikte en betrokken was bij de ontvoering. Verweerder betwijfelde de geloofwaardigheid van deze verklaringen en vond dat eiseres geen reëel risico op vervolging liep vanwege haar genderidentiteit of politieke uitingen. De rechtbank volgt dit niet en wijst op recente jurisprudentie die een minder strenge toets aan politieke overtuiging vereist.

Het iMMO-rapport bevestigt medische en psychische problematiek consistent met het asielrelaas, waaronder PTSS-klachten. Verweerder heeft dit rapport onvoldoende betrokken bij zijn beoordeling. Ook is het MediFirst-advies onvoldoende inzichtelijk gemaakt. De rechtbank vernietigt het besluit en draagt verweerder op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en kosten iMMO-onderzoek.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag en draagt op tot een nieuw besluit binnen acht weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.30822

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. F.H. van Zanden).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Verweerder heeft namelijk ten onrechte vastgehouden aan het criterium dat er sprake moet zijn van een fundamentele politieke overtuiging
.Daarnaast heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom het feit dat eiseres pas in beroep aanvullend heeft verklaard over het seksuele misbruik door haar oom, zo zwaar in haar nadeel weegt. Ten slotte heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd dat er voldoende rekening is gehouden met de bevindingen uit het overgelegde iMMO [2] -rapport. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 26 december 2021 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij heeft de Cubaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 1993. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 1 september 2023 deze aanvraag afgewezen.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2
Eiseres heeft in beroep op 14 juli 2025 een forensisch medisch onderzoek van iMMO overgelegd.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep en het rapport gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres, D.P. Navarrete als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond en relaas
3. Eiseres is transgender, zij is in transitie om vrouw te worden. Zij was daar in Cuba op haar 15e al mee begonnen maar heeft de behandeling toen moeten staken. Inmiddels is de behandeling weer hervat. Eiseres heeft verklaard dat zij in 2019 is ontvoerd en tijdens de ontvoering is mishandeld. Eiseres heeft daarvan aangifte gedaan, maar deze was later onvindbaar. Eiseres verdenkt de politie van de ontvoering.
Eiseres ondervond veel problemen door haar genderidentiteit. Eiseres kon geen werk vinden, heeft haar illegale kapsalon moeten sluiten en zij heeft illegaal in de prostitutie gewerkt.
Eiseres is ook tegen het Cubaanse regime en uitte zich daarover. Eiseres is nu aangesloten bij Cuba Decide en nog steeds actief op sociale media tegen de Cubaanse regering. Daarom vreest eiseres voor de Cubaanse autoriteiten.
In beroep heeft eiseres bij het door haar ingeschakelde iMMO aanvullend verklaard dat zij jarenlang seksueel is misbruikt door haar oom, bij wie ze is komen wonen toen zij 12 jaar was. Deze oom werkte ook bij de politie. Hij was aanwezig bij de ontvoering.
Het bestreden besluit
4. Verweerder vindt de ontvoering niet geloofwaardig, omdat eiseres daarover summiere en algemene verklaringen heeft afgelegd. Eiseres kan niet verklaren door wie en waarom zij is ontvoerd. De verklaring van eiseres dat de ontvoering gelinkt is aan de politie, is enkel gebaseerd op vermoedens en niet nader onderbouwde veronderstellingen. Eiseres heeft haar aangifte niet onderbouwd met documenten. Eiseres heeft ook niet met verklaringen of documenten aannemelijk gemaakt dat haar aangifte al dan niet opzettelijk is verdwenen. De overgelegde verklaringen van de man die eiseres heeft gevonden, een vriendin die is meegegaan om aangifte te doen en van de oma en een vriendin van eiseres zijn niet objectief verifieerbare verklaringen die op verzoek zijn opgesteld. Er kan daarom niet de waarde aan worden gehecht die eiseres eraan gehecht wenst te zien.
4.1.
Verweerder vindt de politieke negatieve uitlatingen van eiseres op sociale media over de Cubaanse autoriteiten geloofwaardig, maar niet is onderbouwd dat eiseres herkenbaar te zien is in de video-opname van [naam 1] . Verweerder vindt dat bij eiseres geen sprake is van een fundamentele politieke overtuiging. Daarom mag van eiseres verwacht worden dat zij zich bij terugkeer terughoudend opstelt om te voorkomen dat zij in de toekomst in de negatieve belangstelling van de autoriteiten komt. Daarnaast is ook geen sprake van een toegedichte fundamentele politieke overtuiging.
4.2.
Verweerder vindt dat de genderidentiteit niet maakt dat eiseres vrees heeft voor vervolging bij terugkeer naar Cuba. De situatie in Cuba is namelijk niet zodanig dat eiseres bij terugkeer naar Cuba zich niet als transgender kan uiten of op voorhand te vrezen heeft voor vervolging. Daarnaast is niet gebleken dat de regelgeving in Cuba en de negatieve bejegening van personen behorende tot de lhbti-gemeenschap in Cuba hen onmogelijk maakt om op sociaal en maatschappelijk gebied te kunnen functioneren of zich te uiten.
4.3.
Verweerder vindt de problemen vanwege de genderidentiteit geloofwaardig, maar daaruit volgt niet dat deze een dusdanig ernstige beperking van haar bestaansmogelijkheden opleveren dat het voor eiseres onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Dit leidt dus niet tot vluchtelingschap. Eiseres kan daarnaast bescherming krijgen van de Cubaanse autoriteiten of andere organisaties.
4.4.
De problemen vanwege de verrichte werkzaamheden zijn geloofwaardig, maar vallen niet onder het Vluchtelingenverdrag omdat het gaat om normale strafvervolging vanwege het plegen van een strafbaar feit.
Politieke overtuiging
5. De rechtbank stelt vast dat in het besluit is tegengeworpen dat eiseres geen fundamentele politieke overtuiging heeft en daarom van haar mag worden verlangd dat zij zich bij terugkeer naar Cuba terughoudend opstelt, om te voorkomen dat ze in de toekomst in de negatieve belangstelling van de autoriteiten komt.
5.1.
Dit besluit is genomen kort voordat het arrest S. en A. van het Hof op 21 september 2023 is gewezen. [3] Uit dit arrest volgt dat verweerder niet mag vereisen dat de politieke overtuiging zo diepgeworteld is bij de vreemdeling, dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst het uiten ervan niet achterwege zou kunnen laten en zo het risico loopt slachtoffer te worden van daden van vervolging. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 17 januari 2024 is het oude beleid van verweerder niet in lijn met dit arrest. [4]
5.2.
Nu verweerder in het besluit ten onrechte heeft getoetst aan het criterium dat er sprake moet zijn van een fundamentele politieke overtuiging, is sprake van een motiveringsgebrek en is het beroep om die reden al gegrond. De rechtbank zal hieronder beoordelen of de rechtsgevolgen op dit punt in stand kunnen worden gelaten.
5.3.
In het verweerschrift van 20 oktober 2025 houdt verweerder nog vast aan het standpunt dat terecht is getoetst of sprake is van een overtuiging die een wezenlijk onderdeel van de identiteit van eiseres vormt en of van eiseres daarom terughoudendheid mag worden verwacht. Verweerder heeft pas ter zitting erkend dat die toets niet klopt en de aanvullende motivering gegeven dat niet is gebleken dat eiseres te vrezen heeft voor vervolging wegens haar politieke overtuiging.
5.4.
Eiseres heeft gewezen op IB 2021/18 [5] en andere informatie, waaruit blijkt dat de combinatie van LHBTI en politieke geëngageerdheid kan leiden tot negatieve belangstelling van de Cubaanse autoriteiten en dat dissidenten in Cuba risico lopen vervolgd te worden.
5.5.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 volgt dat bij de beoordeling van de zwaarwegendheid moet worden betrokken welke door de gestelde politieke overtuiging gemotiveerde activiteiten de vreemdeling bij terugkeer zou willen verrichten of hoe hij of zij anderszins zijn of haar opvatting, mening of gedachte zou willen uiten, en wat de gevolgen daarvan zouden zijn. Bij deze beoordeling van de gegrondheid van de vrees is de sterkte van die politieke overtuiging en de mate waarin deze overtuiging wordt geuit of eventueel door hem zal worden geuit een relevant element, overeenkomstig artikel 4, derde lid, van de Kwalificatierichtlijn. Hierbij moeten de specifieke persoonlijke situatie van een vreemdeling en de meer algemene context van het land van herkomst worden betrokken, zoals het Hof heeft overwogen in het arrest, onder punten 45 tot en met 49. Dit toetsingskader is opgenomen in Informatiebericht 2024/10 [6] . In dit Informatiebericht staat dat met in achtneming van de relevante informatie over het land van herkomst moet worden beoordeeld of op grond van de gebleken (en dus geloofwaardig geachte) omstandigheden (zoals de verrichte activiteiten en de politieke overtuiging) aannemelijk is dat de vreemdeling in de negatieve belangstelling van potentiële actoren van vervolging staat of zal komen te staan en hierdoor een gegronde vrees heeft om daadwerkelijk te worden vervolgd bij terugkeer in zijn land van herkomst.
4.6.
De rechtbank volgt eiseres in haar beroepsgrond dat verweerder in dat licht onvoldoende heeft doorgetoetst of eiseres een reëel risico op vervolging loopt bij terugkeer naar Cuba. Hoewel de overgelegde informatie van eiseres dateert van enkele jaren terug, heeft verweerder ook geen recentere informatie bij de beoordeling betrokken die ziet op de situatie van LHBTI en politieke activisten. Gelet daarop kan de rechtbank de rechtsgevolgen op dit punt niet in stand laten.
Aanvullende verklaringen over de ontvoering
5. Verweerder heeft in zijn voornemen het standpunt ingenomen dat eiseres summier en algemeen heeft verklaard over de ontvoering, dat eiseres niet weet door wie zij is ontvoerd en dat eiseres de gestelde ontvoering enkel linkt aan de politie omdat eiseres de aanname maakt dat zij de aangifte van de ontvoering hebben laten verdwijnen. In de zienswijze heeft eiseres uitgelegd dat zij niet weet wie haar heeft ontvoerd, maar dat ze de stem herkende van rechercheur [naam 2] , dat dit in het gehoor zou moeten staan en dat eiseres getraumatiseerd is en het moeilijk vindt om over de ontvoering te praten. In het besluit volgt verweerder deze verklaring niet, omdat eiseres rechercheur [naam 2] niet eerder heeft benoemd.
5.1.
Eiseres heeft in beroep een forensisch medisch onderzoek bij het iMMO overgelegd ter onderbouwing van haar relaas. Eiseres heeft tijdens dat onderzoek aanvullend verklaard over de ontvoering en over de gebeurtenissen tussen 2011 en 2019. In het iMMO-rapport staat dat eiseres heeft verklaard dat de oom van eiseres haar jarenlang misbruikt heeft en dat hij één van de mannen was die betrokken was bij haar ontvoering en verkrachting.
Aanvullende verklaringen te laat?5.2. Verweerder heeft in het verweerschrift het standpunt ingenomen dat eiseres het element verkrachting (door haar oom) laat en voor het eerst via het iMMO heeft ingebracht. Verweerder vindt dit nieuwe relaas niet aannemelijk omdat het van dusdanig groot belang is dat niet zonder meer kan worden gevolgd dat zij dit, ondanks meerdere gelegenheden daartoe, niet eerder heeft vermeld.
5.3.
Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat deze tegenwerping niet kan worden gevolgd. In dat kader is allereerst van belang dat in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor is aangegeven dat eiseres bij het vertellen van haar vrije relaas werd onderbroken en daardoor niet heeft kunnen vertellen over de periode 2011-2019. Ook is in de correcties en aanvullingen aangegeven dat sprake was van een verkrachting tijdens de ontvoering. Verder volgt uit de door eiseres aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 13 december 2023 [7] dat het een vreemdeling niet zwaar mag worden aangerekend dat hij niet eerder over seksueel geweld heeft verklaard, omdat het lang kan duren voordat mensen hierover verklaren. De rechtbank neemt daarom een motiveringsgebrek aan op dit punt.
iMMO-rapport als ondersteunend bewijs voor de ontvoering
6. Het iMMO stelt zijn rapporten op aan de hand van een vaste vraagstelling, onder te verdelen in een A- en B-vraagstelling.
6.1.
De A-vraag betreft de vraag in welke mate de lichamelijke dan wel de psychische problematiek van de betrokken vreemdeling kan zijn voortgekomen uit het asielrelaas. Het iMMO gebruikt gradaties variërend van “niet-consistent” tot “kenmerkend” voor beantwoording van de A-vraag. Daarmee onderzoeken de iMMO-rapporteurs bij het medisch forensisch onderzoek “de waarschijnlijkheid van een (causaal) verband tussen littekens, lichamelijke en/of psychische bevindingen enerzijds en de gebeurtenissen in het lang van herkomst zoals de vreemdeling daarover heeft verklaard anderzijds”.
De B-vraag betreft de vraag of er ten tijde van de eerdere asielgehoren sprake was van medische problematiek die interfereert met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren in het kader van de asielaanvraag
De A-vraag
6.2.
Eiseres heeft aangevoerd dat de antwoorden op de A-vraag, dus de vraag of sprake is van medische steunbewijs, niet zijn meegenomen in verweerders standpunt. Verweerder is volgens eiseres niet ingegaan op het lichamelijke en psychische letsel van eiseres. Het medische steunbewijs moet verder in samenhang worden bezien met haar eigen verklaringen en de andere overgelegde verklaringen.
6.3.
In de uitspraken van de Afdeling 19 februari 2014 [8] en 27 juni 2018 [9] is het toetsingskader met betrekking tot de A-vraag als volgt geformuleerd [10] :
“5.1. […] Indien dat bewijsmiddel een sterke aanwijzing vormt dat de gestelde onmenselijke behandeling in het land van herkomst of bestendig verblijf het letsel van de asielzoeker heeft veroorzaakt, kan dat de betrokken staat ertoe verplichten om nader onderzoek naar dat bewijsmiddel te laten verrichten om twijfel weg te nemen over het risico dat de asielzoeker na uitzetting naar het desbetreffende land wordt onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Of dat bewijsmiddel tot nader onderzoek noopt, moet de staat beoordelen in het licht van de gestaafde dan wel geloofwaardig te achten persoonlijke situatie van de asielzoeker en tegen de achtergrond van de algemene situatie in het desbetreffende land.”
6.4.
In het iMMO-rapport van eiseres staan de volgende conclusies ten aanzien van de A en de B vraag:

A. Kan de medische (lichamelijke en/of psychische) problematiek zijn voortgekomen uit het gestelde geweldsrelaas dat ten grondslag ligt aan de asielaanvraag?
Ja, dat kan.
A1. In welke mate, volgens de gradaties van het Istanbul Protocol, geldt dit voor de lichamelijke problematiek?
Bij onderzoek zijn op 17 plaatsen op het lichaam littekens, huidverkleuringen of groepen (littekens/huidveranderingen) vastgesteld.
Van de 17 plaatsen op het lichaam worden 3 littekens/huidveranderingen/groepen toegeschreven aan het relaas.
Deze 3 littekens/huidveranderingen/groepen worden volgens het Istanbul als volgt beoordeeld:
• 2 alszeer consistent
• 1 alsconsistent.
De overige 14 littekens en huidveranderingen worden niet beoordeeld volgens het Istanbul protocol, omdat deze niet toegeschreven worden aan het geweld dat betrokkene stelt als de reden voor de vlucht.
Er waren geen fysieke klachten of verschijnselen als gevolg van het gestelde geweld als reden voor de vlucht. Voor een uitgebreide onderbouwing van deze conclusie wordt verwezen naar paragraaf 6.1.
A2. In welke mate, volgens de gradaties van het Istanbul Protocol, geldt dit voor de psychische problematiek?
Vanuit het medische onderzoek komen PTSS-klachten naar voren die gerelateerd zijn aan het gestelde meegemaakte geweld wat de directe reden was van de vlucht van betrokkene (de gestelde ontvoering en (seksuele) mishandeling in 2019 door drie mannen, waaronder haar oom). Dit betreft specifieke herbelevingen over de gestelde ontvoering en mishandeling, specifieke triggers voor deze herbelevingen en daarmee samenhangende specifieke vermijding en het bewust kapot maken en verwaarlozen van haar gebit. Deze specifieke klachten worden volgens het Istanbul Protocol beoordeeld alstyperendmet het gestelde geweldsrelaas dat ten grondslag ligt aan de asielaanvraag. Bij het toekennen van de gradatie is rekening gehouden met andere stressvolle ervaringen en overige klachten. Deze overige klachten zijn niet meegewogen in de gradatie. Voor een uitgebreide onderbouwing van deze conclusie wordt verwezen naar paragraaf 6.2.
A3 Wat is de algehele beoordeling van het totaal van bevindingen volgens de gradaties van het Istanbul Protocol?
De medische problematiek van betrokkene (de lichamelijke en psychische problematiek) wordt gezamenlijk beoordeeld volgens het Istanbul Protocol alstyperendvoor het gestelde ondergane geweld.
6.5.
Verweerder heeft op zitting aangevoerd dat in het verweerschrift de antwoorden op de A-vraag wel zijn betrokken. Daarin is gesteld dat uit de conclusie van het iMMO blijkt dat de klachten ‘typerend’ zijn, maar dat aan het iMMO-rapport slechts ondersteunende bewijswaarde toekomt.
6.6.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zijn standpunt over de A-vraag daarmee niet voldoende heeft gemotiveerd. In de door verweerder op zitting aangehaalde passage in het verweerschrift is verweerder niet expliciet ingegaan op de vaststellingen van het iMMO onder A1 en A2. En ook overigens heeft verweerder, zoals eiseres heeft aangevoerd, met deze passage niet voldaan aan het toetsingskader dat volgt uit de Afdelingsuitspraak van 27 juni 2018. [11] Verweerder had dit in samenhang met de verklaringen en de algemene situatie in Cuba moeten beoordelen.
De B-vraag
6.7.
Verweerder volgt eiseres niet in haar stelling dat zij vanwege psychische beperkingen niet in staat was volledig te verklaren. Verweerder stelt daarbij voorop dat eiseres voorafgaand aan het nader gehoor is onderzocht door MediFirst en dat uit dat onderzoek niet is gebleken van beperkingen die haar vermogen om te verklaren zouden hebben beïnvloed.
6.8.
Eiseres heeft hiertegen aangevoerd dat het MediFirst-advies niet inzichtelijk is, gelet op het onderliggende onderzoeksformulier. In dat onderzoeksfomulier staat namelijk onder andere opgenomen dat:

Psychiatrie – Suïcidale gedachten / zelfmoordpoging: Betrokkene geeft aan in het verleden suïcidale klachten te hebben gehad. Dit in de tijd dat de betrokkene in het land van herkomst was. De betrokkene heeft een poging tot suïcide gedaan. In een doorreis land waren de gedachten tot het plegen sterk aanwezig maar de betrokkene heeft geen poging ondernomen. Betrokkene geeft aan dat de dergelijke gedachten nog steeds aanwezig zijn sinds het verblijf in Nederland.”
En:
“Psychiatrie – concentratie: […] Betrokkene geeft aan pijnlijke gebeurtenissen mee te hebben gemaakt gedurende zijn reis in het land van herkomst. Geeft aan hier wel psychische hinder van te ondervinden. […]”
6.9.
De rechtbank komt daarom tot het volgende oordeel. Verweerder heeft op de zitting geen antwoord kunnen geven op de vraag of het MediFirst-advies gezien deze informatie voldoende inzichtelijk is, maar heeft desondanks vastgehouden aan het standpunt dat eiseres is onderzocht en dat uit dat onderzoek geen gebreken zijn gebleken. Gelet daarop heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd dat het MediFirst-advies, gelet op de bevindingen uit het onderzoeksformulier, voldoende inzichtelijk is. Verweerder heeft dit advies dan ook bij zijn beoordeling van de B-vraag zonder nadere motivering niet voorop kunnen stellen.

Conclusie en gevolgen

7. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de asielaanvraag te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
8. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van acht weken.
9. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
10. Eiseres verzoekt daarnaast om verweerder te veroordelen tot vergoeding van
€ 8.470,- voor het door het iMMO verrichte medisch onderzoek. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in deze kosten. Daarbij is van belang dat het iMMO in de asielrechtpraktijk een rol van betekenis speelt waar het gaat om het bieden van de mogelijkheid om medisch (steun)bewijs te leveren. Het inschakelen van het iMMO als deskundige kan in dit geval als redelijk worden beschouwd. Bovendien is er geen aanleiding voor het oordeel dat het bedrag dat het iMMO in rekening heeft gebracht onredelijk zou zijn. Vanwege de uitkomst van het beroep moet verweerder deze kosten vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 1 september 2023;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 10.338,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Putten, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Molenkamp - Lopar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek.
3.Arrest S.A. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof), (ECLI:EU:C:2023:688).
4.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:63).
5.Informatiebericht 2021/18 LHBTI Cuba, surplace activiteiten.
6.Informatiebericht 2024/10 Werkwijze politieke overtuiging
10.Uit de latere uitspraak van de Afdeling van 24 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1472, r.o. 12) volgt dat dit nog steeds het toetsingskader is ten aanzien van de A-vraag is.