ECLI:NL:RBDHA:2026:6686

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
NL26.12401
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vw 2000Art. 3 TerugkeerrichtlijnArt. 16 Terugkeerrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring wegens onvoldoende medische gronden

De minister van Asiel en Migratie legde op 5 maart 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 17 maart 2026 via een beeldverbinding.

Eiser voerde aan dat de minister niet voldeed aan de informatieplicht omtrent zijn psychische problematiek en dat een lichter middel had moeten worden toegepast. Hij voegde een uitspraak van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming toe waaruit zijn kwetsbaarheid bleek. De rechtbank oordeelde echter dat de medische zorg in detentie gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij en dat er onvoldoende concrete aanknopingspunten waren om af te zien van bewaring of een piketarts in te schakelen.

De rechtbank nam mee dat eiser tijdens een eerdere bewaring tijdelijk was opgenomen in een psychiatrisch centrum, maar daarna terugkeerde naar het detentiecentrum en verklaarde gezond te zijn zonder medicatie. Ook tijdens het aanmeldgehoor en de zitting gaf eiser aan zich goed te voelen. De minister had daarom terecht geconcludeerd dat de bewaring niet onevenredig belastend was.

De rechtbank vond geen aanleiding om ambtshalve tot een ander oordeel te komen en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12401

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Informatieplicht en lichter middel
1. Eiser voert aan dat de minister niet heeft voldaan aan de op hem rustende informatieplicht, door de rechtbank onvoldoende informatie te verschaffen over de psychische problematiek van eiser. Om die reden heeft eiser een uitspraak van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) aan het rechtbankdossier toegevoegd van 13 maart 2026. Hieruit volgt dat eiser een kwetsbaar persoon is. [1] Tijdens eisers vorige inbewaringstelling is door psychiaters vastgesteld dat er sprake is van een psychische stoornis. De opheffing van deze inbewaringstelling per 21 januari 2026 is niet aan het dossier toegevoegd. Verder is eisers kwetsbaarheid op geen enkele manier meegewogen door de minister, waardoor de toets of een lichter middel zou moeten worden toegepast, onvolledig is geweest. Eiser verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 1 mei 2023 [2] . Die uitspraak is in hoger beroep weliswaar vernietigd [3] maar daarbij is expliciet meegewogen dat de dienstdoende piketarts tot de conclusie was gekomen dat de vreemdeling in bewaring kon worden gesteld. Eiser is echter niet door een piketarts gezien.
1.1.
De rechtbank stelt voorop dat ten aanzien van de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra kan worden gesteld dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Dit houdt in dat er in beginsel geen reden is om te veronderstellen dat een vreemdeling met psychische problemen niet in bewaring gesteld zou kunnen worden. Dit laat onverlet dat als er concrete aanknopingspunten zijn dat de bewaring voor een vreemdeling onevenredig bezwarend is, de minister daar onderzoek naar moet verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank waren die aanknopingspunten er in dit geval echter niet voldoende. Eiser heeft er in beroep weliswaar op gewezen dat hij tijdens zijn eerdere periode in bewaring, van 9 augustus 2025 tot 21 januari 2026, tijdelijk opgenomen is geweest in het Centrum voor Transculturele Psychiatrie Veldzicht (CTP Veldzicht), maar de minister heeft er op zijn beurt terecht op gewezen dat eiser vervolgens weer is teruggeplaatst in het detentiecentrum. Dit blijkt uit het verslag van het vertrekgesprek dat plaatsvond op 11 december 2025, dat de minister in reactie op betoog van eiser over zijn periode in CTP Veldzicht heeft overgelegd. Ook heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de huidige inbewaringstelling heeft verklaard gezond te zijn en geen medicatie te gebruiken. De rechtbank is van oordeel dat er op dat moment dan ook onvoldoende aanknopingspunten waren om af te zien van een inbewaringstelling of om een piketarts in te schakelen. De minister heeft hierdoor ook geen aanleiding hoeven zien om informatie aan het rechtbankdossier toe te voegen over eisers eerdere verblijf in het CTP Veldzicht.
Dergelijke aanknopingspunten zijn ook niet gebleken in de periode na de inbewaringstelling. Uit het verslag van het aanmeldgehoor van 16 maart 2026 blijkt dat eiser heeft aangegeven dat hij zich goed voelt en op de zitting heeft eiser verklaard op dit moment geen medicijnen te gebruiken. Ook anderszins is niet gebleken dat eiser medische zorg nodig heeft en die niet krijgt. De minister heeft dan ook terecht geconcludeerd dat de maatregel van bewaring niet onevenredig belastend is voor eiser en dat niet met een lichter middel kon worden volstaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
2. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. [4]

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zoals dat volgt uit artikel 3, negende lid, en artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn.
3.Uitspraak van de Afdeling van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4219
4.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).