ECLI:NL:RBDHA:2026:6656
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugkeerbesluit na beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense vreemdeling
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van een Nigeriaanse vreemdeling die vanuit Oekraïne naar Nederland is gekomen en tijdelijk bescherming genoot op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB). De minister van Asiel en Migratie heeft op 5 augustus 2025 een terugkeerbesluit opgelegd nadat de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 was geëindigd.
Eiser betoogde dat het terugkeerbesluit prematuur was omdat hij nog rechtmatig verblijf had door een bevriezingsmaatregel en een voorlopige voorziening. Tevens stelde hij dat bijzondere persoonlijke omstandigheden en het opgebouwde privéleven in Nederland een individuele belangenafweging vereisten. De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit niet prematuur was, omdat de tijdelijke bescherming rechtsgeldig was beëindigd en de bevriezingsmaatregel slechts een opschorting van rechtsgevolgen betrof.
De rechtbank overwoog dat het evenredigheidsbeginsel en het recht op privé- en gezinsleven geen belemmering vormen voor het terugkeerbesluit binnen deze procedure. Voor een beoordeling van verblijfsrecht op grond van familie- of gezinsleven kan eiser een aparte aanvraag indienen. Het beroep tegen het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024 werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege intrekking, met vergoeding van proceskosten aan eiser.
De rechtbank concludeerde dat het beroep tegen het terugkeerbesluit van 5 augustus 2025 ongegrond is en veroordeelde de minister in de proceskosten van € 934,-. Eiser moet binnen de gestelde termijn terugkeren naar Marokko.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 5 augustus 2025 is ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.