ECLI:NL:RBDHA:2026:6652
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen terugkeerbesluit na tijdelijke bescherming Oekraïne
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van een Nigeriaanse derdelander die vanuit Oekraïne naar Nederland is gekomen vanwege de invasie van februari 2022 en tijdelijk verblijf had op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB).
De minister legde op 7 februari 2024 een terugkeerbesluit op dat het verblijfsrecht beëindigde per 4 maart 2024, maar dit besluit werd later ingetrokken omdat het prematuur was. Op 17 juli 2025 werd een vervangend terugkeerbesluit opgelegd, waarin het einde van het verblijfsrecht per 4 maart 2024 werd bevestigd en de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopte op 4 september 2025.
De eiser stelde beroep in tegen beide besluiten. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het ingetrokken besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het vervangende besluit ongegrond, omdat het besluit rechtmatig was genomen na het einde van de tijdelijke bescherming en eiser geen nieuwe gronden had aangevoerd.
De rechtbank veroordeelde de minister in de proceskosten van € 934,- wegens het prematuur nemen van het eerste besluit. De uitspraak is gedaan door rechter N.M. Spelt en griffier M.M. Tank op 25 maart 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 17 juli 2025 is ongegrond verklaard en het beroep tegen het ingetrokken besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk.