ECLI:NL:RBDHA:2026:6649
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugkeerbesluit minister inzake tijdelijke bescherming Oekraïense derdelander
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het terugkeerbesluit van de minister van Asiel en Migratie aan een Turkse derdelander die vanuit Oekraïne naar Nederland is gekomen vanwege de invasie van februari 2022. De eiser had rechtmatig verblijf op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB), maar de minister legde op 21 februari 2024 een terugkeerbesluit op dat later werd ingetrokken en vervangen door een nieuw besluit van 21 juli 2025.
De rechtbank beoordeelde het vervangende terugkeerbesluit inhoudelijk en verklaarde het beroep tegen het eerdere besluit niet-ontvankelijk vanwege intrekking. De eiser leverde geen nieuwe gronden tegen het vervangende besluit aan. De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit van 21 juli 2025 rechtmatig is, mede gelet op het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van Justitie van de EU en de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat de eiser binnen de gestelde termijn moet terugkeren naar Turkije. Tevens veroordeelde de rechtbank de minister in de proceskosten van de eiser vanwege het prematuur genomen eerdere besluit. De uitspraak werd gedaan door rechter N.M. Spelt en griffier M.M. Tank op 25 maart 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen het vervangende terugkeerbesluit is ongegrond verklaard en het eerdere besluit niet-ontvankelijk, met veroordeling van de minister in proceskosten.