ECLI:NL:RBDHA:2026:6641
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugkeerbesluit en tijdelijke bescherming Oekraïense derdelander
Eiseres, een Marokkaanse derdelander die vanuit Oekraïne naar Nederland is gekomen vanwege de invasie, kreeg op 7 augustus 2025 een terugkeerbesluit opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Dit besluit beëindigde haar verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) per 4 maart 2024. Eiseres betwistte dit besluit en voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder het vertrouwensbeginsel, het beroep op een voorlopige voorziening en de bevriezingsmaatregel, en een beroep op artikel 3 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelde dat het eerdere terugkeerbesluit van 21 februari 2024 prematuur was en daarom was ingetrokken, waardoor het beroep daarop niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank stelde eiseres wel proceskosten toe vanwege deze prematuriteit. Ten aanzien van het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025 concludeerde de rechtbank dat de minister terecht het besluit heeft genomen. De Afdeling bestuursrechtspraak had eerder geoordeeld dat er geen toezeggingen waren gedaan die het vertrouwensbeginsel schenden en dat het terugkeerbesluit niet in strijd is met het Unierecht.
Verder oordeelde de rechtbank dat de voorlopige voorziening en bevriezingsmaatregel niet betekenen dat eiseres rechtmatig verblijf had op het moment van het terugkeerbesluit. De minister had een geactualiseerde refoulementbeoordeling gemaakt, waaruit bleek dat er geen reëel risico was op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Marokko. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiseres moet binnen de gestelde termijn terugkeren. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 934,-.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025 wordt ongegrond verklaard en eiseres moet terugkeren naar Marokko.