ECLI:NL:RBDHA:2026:6601

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
SGR 22/1845
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.3a WaboArt. 4.23 Invoeringswet OmgevingswetArt. 5:32 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling handhaving last onder dwangsom wegens bouwkundige splitsing pand

De zaak betreft het opleggen van een last onder dwangsom aan twee stichtingen vanwege een bouwkundige splitsing van een pand zonder toestemming van de VvE en in strijd met het bestemmingsplan. Eisers, huurders van woningen in het pand, zijn het niet eens met deze last en voeren meerdere beroepsgronden aan, waaronder onevenredigheid van handhaving en schending van artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank overweegt dat het college bevoegd was de last onder dwangsom op te leggen en dat handhaving niet onevenredig is, mede omdat er geen concreet zicht op legalisatie bestaat en de overtreding niet van geringe aard is. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro wordt verworpen omdat de inmenging bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving.

Daarnaast wijst de rechtbank het beroep op huurbescherming af, aangezien dit een civielrechtelijke kwestie betreft. Ten slotte wordt de Staat veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €3.000,- aan derde-partij wegens overschrijding van de redelijke termijn van ruim vier jaar in de bezwaar- en beroepsprocedure.

Uitkomst: Het beroep tegen het opleggen van de last onder dwangsom wordt ongegrond verklaard en de Staat wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/1845

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2026 in de zaak tussen

[eisers sub 1], [eisers sub 2], [eisers sub 3] en [eisers sub 4], te [woonplaats], eisers

(gemachtigde: mr. I.S. Sital)
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: [gemachtigde])
en

de Staat (ministerie van Justitie en Veiligheid).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
[derde-partij], in [woonplaats]
(gemachtigde: mr. S.K. Reijke).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van een last onder dwangsom aan [stichting 1] en [stichting 2] vanwege splitsing van het pand [adres 1] in [plaats]. Eisers huren afzonderlijk een woning in het pand en zijn het niet eens met het besluit om de last op te leggen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het opleggen van de last onder dwangsom. Ook beoordeelt de rechtbank het verzoek van derde-partij om schadevergoeding vanwege de lange duur van de procedure.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de last onder dwangsom mocht opleggen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Het verzoek van derde-partij om schadevergoeding wordt toegewezen.
1.2.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Tijdens een controle op 22 januari 2021 heeft een toezichthouder geconstateerd dat er twee woningen in het pand aan de [adres 1] aanwezig zijn.
2.1.
Op 18 februari 2021 heeft de [VvE] bij het college een verzoek tot handhaving ingediend. Aan dit verzoek ligt ten grondslag dat sprake is van een bouwkundige splitsing van het pand [adres 1] zonder toestemming van de VvE.
2.2.
Derde-partij is eigenaar van het pand [adres 2] en heeft op 31 maart 2021 bij het college een verzoek tot handhaving ingediend. Aan dit verzoek ligt ten grondslag dat de in het kadaster op 15 oktober 2020 geregistreerde splitsing voor de [adres 1] in strijd is met het vigerende bestemmingsplan en zonder toestemming van de VvE is gedaan.
2.3.
Bij afzonderlijke besluiten van 30 april 2021 heeft het college aan [stichting 1] en [stichting 2] elk een last onder dwangsom opgelegd. De lasten onder dwangsom zien op het beëindigen en beëindigd houden van de bouwkundige splitsing van het pand [adres 1] in [plaats].
2.4.
Bij besluit van 8 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van eisers tegen de besluiten van 30 april 2021 ongegrond verklaard, onder aanvulling van de motivering.
2.5.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 gezamenlijk met de beroepen in de zaken met zaaknummers SGR 22/1840, 22/1841, 22/1864, 22/6697, 22/6851 en 23/2743 op zitting behandeld. Eisers zijn niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam]. Derde-partij is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. In het bestreden besluit heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de splitsing in strijd is met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a (bouwverbod), en artikel 2.3a (instandhoudingsverbod) van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het college heeft [stichting 1] en [stichting 2] aangemerkt als overtreder.
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór 1 januari 2024 een last onder dwangsom is opgelegd voor een gepleegde overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing, tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Het college heeft de lasten onder dwangsom vóór 1 januari 2024 opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Beginselplicht tot handhaving
5. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zo onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. [1]
Is handhaving onevenredig?
6. Eisers betogen dat handhaving onevenredig is. Eisers hebben zelf geen overtreding begaan en moeten hun woning verlaten als gevolg van het handhavend optreden. Er is voor eisers geen andere woning beschikbaar. Eisers komen pas na zes tot acht jaar inschrijving bij de gemeente in aanmerking voor een woning. Het college heeft hier onvoldoende rekening mee gehouden. Daar komt bij dat de woning na splitsing slechts 0,5 m² kleiner is dan de minimumoppervlakte die het college hanteert, zodat er slechts een zeer beperkte overtreding is.
6.1.
Het college betoogt dat handhaving niet onevenredig is. Het college neemt het standpunt in dat het niet om een overtreding van geringe aard en ernst gaat en dat het algemeen belang en het verzoek om handhaving zwaarder wegen dan het belang van eisers.
6.2.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 5 maart 2025 [2] onder meer overwogen dat handhavend optreden alleen onevenredig is als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is.
6.3.
De rechtbank overweegt dat van concreet zich op legalisatie geen sprake is. De vorige eigenaar heeft een vergunning voor de splitsing aangevraagd maar die is uiteindelijk geweigerd, en die weigering staat in rechte vast. Dat een verzoek om herziening is ingediend van de uitspraak van de Afdeling waarbij de weigering is bevestigd, is geen reden aan te nemen dat ten tijde van het bestreden besluit concreet zicht was op legalisatie, alleen al niet omdat het verzoek door de Afdeling toen al bij uitspraak van 8 juni 2018 was afgewezen. [3]
6.4.
De rechtbank overweegt verder dat naar haar oordeel de splitsing niet als een overtreding van geringe aard en ernst kan worden aangemerkt, gezien de bouwkundige ingrepen die nodig zijn om de situatie in overeenstemming te brengen met de legale situatie. Verder heeft derde-partij er terecht op gewezen dat de Afdeling, in haar uitspraak op het hoger beroep over de weigering van de omgevingsvergunning voor het splitsen, heeft overwogen dat bij de berekening van de oppervlakte van het betrokken appartement van 39,5 m² rekening is gehouden met gezamenlijke ruimtes, zodat de woonoppervlakte feitelijk een stuk kleiner uitvalt. De rechtbank overweegt verder dat eisers al sinds april 2021 op de hoogte zijn van het feit dat de splitsing ongedaan moet worden gemaakt, zoals medegedeeld in een brief van het college van 30 april 2021, en dat zij dus elders woonruimte moeten zoeken. In een bijlage bij de brief van 30 april 2021 zijn eisers gewezen op de voor hen bestaande juridische mogelijkheden, zoals het bestaan van het instituut Sociaal Raadslieden en het Juridisch Loket, en sociale voorzieningen zoals (nood)opvang. Gelet hierop hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank voldoende tijd en gelegenheid gehad om vervangende woonruimte te zoeken, voor zover dat als gevolg van het handhavend optreden überhaupt nodig zou zijn. In wat eisers aanvoeren ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan van handhavend optreden moet worden afgezien. Het college heeft daarom mogen concluderen dat handhaving niet onevenredig is. De beroepsgrond slaagt niet.
Beroep op artikel 8 van Pro het EVRM
7. Eisers betogen dat handhavend optreden in strijd is met artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eisers voeren aan dat zij recht hebben op bescherming van hun woonruimte en privéleven. Het opleggen van de last onder dwangsom brengt een inbreuk op hun privacy en persoonlijke leefomgeving met zich mee.
7.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het opleggen van de lasten niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Het opleggen van een last onder dwangsom is volgens het college bij wet voorzien (artikel 5:32, eerste lid, van de Awb) en noodzakelijk om de overtreding op te heffen.
7.2.
Artikel 8 van Pro het EVRM bepaalt dat een ieder recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is met het oog op bepaalde in dit artikel omschreven belangen.
7.3.
De inmenging in de door artikel 8 van Pro het EVRM gewaarborgde rechten is in dit geval bij wet voorzien, te weten de Algemene wet bestuursrecht, de Wabo en het bestemmingsplan. De in deze nationale regelgeving neergelegde wettelijke voorschriften hebben een legitiem doel. Zij dienen onder andere ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. De betrokken wettelijke voorschriften zijn bovendien noodzakelijk in een democratische samenleving als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Verwijzend naar wat hiervoor werd overwogen is de rechtbank van oordeel dat het door het college opleggen van een last onder dwangsom evenredig is aan het doel dat daarmee wordt gediend. [4] De beroepsgrond slaagt niet.
Huurbescherming
8. Eisers betogen dat het college niet handhavend kan optreden omdat eisers recht hebben op huurbescherming op grond van het Burgerlijk Wetboek.
8.1.
De rechtbank overweegt dat huurbescherming een civielrechtelijke kwestie betreft, die in het kader van de bestuursrechtelijke beoordeling van het opleggen van een last onder dwangsom geen rol speelt. De beroepsgrond slaagt niet.
Verzoek om schadevergoeding overschrijding redelijke termijn
9. Derde-belanghebbende heeft in de zaken met zaaknummer SGR 22/1840, 22/1841, 22/1845, 22/1864 en 23/2743 om schadevergoeding verzocht vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
9.1.
Volgens vaste rechtspraak mag de behandeling van zaken als deze, met een bezwaar- en een beroepsprocedure, maximaal twee jaar in beslag mag nemen. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk.
9.2.
De redelijke termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het (eerste) bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Het eerste bezwaarschrift tegen het opleggen van de lasten onder dwangsom op 30 april 2021 is op 9 juni 2021 het college ontvangen. Op 8 februari 2022 heeft het college op de bezwaarschriften beslist. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 24 maart 2026. De behandeling heeft (afgerond naar boven) in totaal vier jaar en negen maanden geduurd. De redelijke termijn is dus met twee jaar en negen maanden overschreden. De schadevergoeding bedraagt € 500,- per overschrijding van een half jaar, naar boven afgerond. Derde-belanghebbende heeft dus recht op een schadevergoeding van € 3.000,-.
9.3.
De rechtbank overweegt dat in gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, in dit verband moet worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Als hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd. [5] De rechtbank is van oordeel dat in de vijf zaken waarin derde-belanghebbende om schadevergoeding vraagt sprake is van hetzelfde onderwerp, namelijk de beoordeling van zijn verzoek om handhaving vanwege de splitsing van de woning. De rechtbank zal daarom onderstaande schadevergoeding één keer toekennen en wel in de onderhavige zaak, met zaaknummer SGR 22/1845.
9.4.
De overschrijding van de redelijke termijn is voor twee maanden toe te rekenen aan het college en voor het grootste deel, twee jaar en zeven maanden, toe te rekenen aan de rechtbank. De rechtbank zal de Staat daarom veroordelen tot betaling van de schadevergoeding.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Eisers krijgen ook het door hen betaalde griffierecht niet terug.
12. De Staat zal worden veroordeeld tot betaling van de hierboven bedoelde schadevergoeding aan derde-partij.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn aan derde-partij tot een bedrag van € 3.000,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
25 maart 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie o.m. de uitspraak van de Afdeling van 17 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:574.
2.ABRvS 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.
3.ABRvS 8 juni 2018, 201802495/2/A1.
4.Vergelijk Rb. Den Haag 4 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:5165.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3858.