De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot 10 december 2025, waarna alleen de periode daarna werd beoordeeld.
Eiser stelde dat er geen zicht op uitzetting naar Algerije bestond en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde, mede gezien de lange duur van de bewaring. De rechtbank oordeelde dat sinds december 2023 in het algemeen zicht op uitzetting naar Algerije bestaat en dat ook voor eiser persoonlijk geen reden was om dit te betwijfelen. De lopende laissez-passer aanvraag en de inspanningen van verweerder, waaronder meerdere rappels en vertrekgesprekken, werden als voldoende voortvarend beschouwd.
De rechtbank wees ook op de ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel, waarbij geen schending van het non-refoulement beginsel of het belang van familie- en gezinsleven werd vastgesteld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.