Deze uitspraak betreft de afwijzing van een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) door de minister van Asiel en Migratie, ingediend namens eiseres, die als familie- of gezinslid bij haar dochter (referente) wilde verblijven. De minister heeft de aanvraag afgewezen op basis van het ontbreken van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Eiseres is het niet eens met deze afwijzing en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft de zaak op 20 november 2025 behandeld, waarbij de gemachtigde van de minister aanwezig was, maar de gemachtigde van eiseres zich had afgemeld.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven dat beschermd moet worden. Eiseres, geboren in 1954 in Syrië en als staatloos aangemerkt, heeft aangevoerd dat zij afhankelijk is van haar dochter, die in Nederland verblijft. De minister heeft echter gesteld dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. De rechtbank heeft de argumenten van eiseres beoordeeld, maar komt tot de conclusie dat de minister voldoende gemotiveerd heeft dat er geen beschermenswaardig familieleven bestaat.
De rechtbank heeft ook de argumenten van eiseres over de financiële en materiële afhankelijkheid, de gezondheidssituatie en de banden met het land van herkomst overwogen. Eiseres heeft niet kunnen aantonen dat haar situatie zodanig is dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten.