Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6440

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
24/2940
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 7:11 AwbArt. 19 Uitvoeringsregels
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor kosten rechtsbijstand wegens te late indiening

Eiseres heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor eigen bijdragen in advocaatkosten, maar de aanvraag werd afgewezen omdat deze meer dan één maand na het ontstaan van de kosten werd ingediend. Verweerder wijzigde in bezwaar de motivering, maar handhaafde de afwijzing. De rechtbank oordeelt dat geen bijzondere bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

Eiseres stelde dat de aanvraag niet eerder kon worden ingediend vanwege vertragingen bij de rechtbank voor goedkeuring van de bewindvoerder, maar de rechtbank vond dat dit geen bijzondere omstandigheden oplevert. De aanvraag was ruim twee tot vijf maanden te laat. Ook het betoog dat verweerder onterecht terugkwam op zijn standpunt wordt verworpen, omdat een volledige heroverweging in bezwaar is toegestaan zonder schending van het verbod op reformatio in peius.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om griffierecht en proceskostenvergoeding af. Eiseres kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand wegens te late indiening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/2940

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: Fidinda CBM B.V., mr. A. Rodriguez Gonzalez),
en

de Intergemeentelijke sociale dienst Bollenstreek, verweerder

(gemachtigde: mr. P.J.J.P. van der Zalm).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand. Eiseres is het daarmee niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

2. Op 7 april 2023 heeft eiseres een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de eigen bijdragen van advocaatkosten.
2.1.
In het besluit van 2 mei 2023 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand in de kosten van eigen bijdragen in de advocaatkosten afgewezen.
2.2.
Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.
2.3.
In het besluit van 16 juni 2023 heeft verweerder de reden van afwijzing van de aanvraag, zoals vermeld in het besluit van 2 mei 2023, gewijzigd.
2.4.
Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht was het bezwaarschrift van eiseres van rechtswege mede gericht tegen het besluit van 16 juni 2023.
2.5.
In het besluit van 14 februari 2024 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand gehandhaafd.
2.6.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.7.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

3. De bewindvoerder over de onder bewind gestelde goederen van eiseres, Fidinda CBM B.V (Fidinda), heeft op 7 april 2023 bijzondere bijstand aangevraagd in de kosten van eigen bijdragen rechtsbijstand. Het betreft drie eigen bijdragen:
- een eigen bijdrage van € 156,-, die haar advocaat op 21 oktober 2022 bij eiseres heeft gedeclareerd, maar waarvan het toevoegingsbesluit van de Raad voor Rechtsbijstand (RvR) niet is overgelegd. Dit betreft verlening van de ondertoezichtstelling;
- een eigen bijdrage van € 156,-, volgens het toevoegingsbesluit van de RvR van 25 oktober 2022, en die haar advocaat op diezelfde datum bij eiseres heeft gedeclareerd. Dit betreft de ondertoezichtstelling/uithuisplaatsing;
- een eigen bijdrage van € 315,-, volgens het toevoegingsbesluit van de RvR van 14 december 2022, en door haar advocaat op 27 januari 2023 bij eiseres gedeclareerd. Dit betreft de procedure van het verzoek wijziging omgangsregeling.
3.1.
In het besluit van 2 mei 2024 heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat er geen bijzondere bijstand wordt verstrekt voor kosten die langer dan één maand voor het indienen van de aanvraag zijn gemaakt.
3.2.
In het besluit van 16 juni 2023 is het besluit van 2 mei 2024 in die zin gewijzigd dat aan de afwijzing een andere motivering ten grondslag wordt gelegd. Verweerder geeft aan dat de redenen die eiseres heeft gegeven voor de late indiening van de aanvraag gevolgd worden. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat de bijzondere bijstand nog steeds moet worden afgewezen, maar dan op de grond dat eiseres voldoende draagkracht uit vermogen heeft om deze kosten te voldoen.
3.3.
In het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand gehandhaafd. Verweerder komt op zijn schreden terug en komt bij nader inzien tot de conclusie dat het besluit van 2 mei 2023 correct was. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat, ook als de aanvraag inhoudelijk zou zijn beoordeeld, dat niet tot toewijzing zou hebben geleid, omdat eiseres over voldoende draagkracht uit vermogen beschikt. Er is geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule van artikel 19 van Pro de Uitvoeringsregels.
Is de aanvraag tijdig ingediend?
4. Eiseres voert aan dat de aanvraag niet eerder kon worden ingediend, omdat de bewindvoerder de advocaat pas opdracht kan geven om zijn werkzaamheden te starten, als hij daarvoor goedkeuring heeft ontvangen van de kantonrechter. Door achterstanden bij de rechtbank heeft het echter enkele maanden geduurd voordat de bewindvoerder de gevraagde goedkeuring heeft ontvangen. Eerst daarna kon de advocaat zijn werkzaamheden starten en was eiseres de eigen bijdragen verschuldigd aan de advocaat. Vanaf dat moment ook ging de termijn van één maand als bedoeld in artikel 6, lid 2, van de Uitvoeringsregels lopen.
4.1.
De rechtbank overweegt dat in beginsel geen bijzondere bijstand wordt verleend met terugwerkende kracht. Dat wil zeggen dat in beginsel geen bijstand wordt verleend voor kosten die zijn opgekomen voor de datum waarop de aanvraag is ingediend. [1] Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
4.2.
In dit geval zijn de kosten van de eigen bijdragen opgekomen op 21 oktober 2022, 25 oktober 2022 en 27 januari 2023, omdat de declaraties van de advocaat aan eiseres van die datum zijn. De aanvraag om bijzondere bijstand voor deze kosten is evenwel eerst ingediend op 7 april 2023, ruim vijf respectievelijk twee maanden nadat de kosten zijn opgekomen. Daarom kan voor deze kosten in beginsel geen bijzondere bijstand worden verstrekt.
4.3.
Ook op grond van het buitenwettelijk begunstigend beleid, vermeld in artikel 6, tweede lid, van de Uitvoeringsregels, is verstrekking van bijzondere bijstand niet mogelijk, Op grond van dit artikel komen de kosten alsnog voor bijzondere bijstand in aanmerking als de aanvraag is ingediend binnen één maand nadat de kosten zijn gemaakt of duidelijk is geworden wat de kosten zijn die voor eigen rekening blijven én de noodzaak van de kosten nog kan worden vastgesteld.
4.4.
Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan toch recht op bijstand bestaat voor de kosten van de eigen bijdragen is niet gebleken. Aangezien de kosten van de eigen bijdragen op de voornoemde data al bekend waren bij eiseres en haar bewindvoerder, had het in de rede gelegen als zij, tegelijk met het vragen van de machtiging van de kantonrechter, alvast een aanvraag om bijzondere bijstand hadden ingediend, die later met meer concrete gegevens en bedragen had kunnen worden aangevuld, zie vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRVB). [2]
4.5.
Eiseres betoogt dat verweerder ten onrechte is teruggekomen van zijn standpunt in het besluit van 16 juni 2023. Immers in dat besluit heeft het de verklaring van eiseres over de redenen voor de te late indiening van de aanvraag geaccepteerd. Het is onterecht dat verweerder zich in het bestreden besluit weer op het standpunt stelt dat de aanvraag te laat is ingediend. Volgens eiseres komt dit neer op een soort reformatio in peius, aangezien een redenering die door verweerder was verlaten in het besluit van 16 juni 2023, in het bestreden besluit alsnog wordt gebruikt om de aanvraag af te wijzen.
4.6.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht door het bestuursorgaan in de bezwaarfase een volledige heroverweging van het primaire besluit plaatsvindt. Het was verweerder dan ook toegestaan om de onderbouwing van de afwijzing van de aanvraag te wijzigen. De uitkomst van de heroverweging was dat het rechtsgevolg van het primaire besluit, de afwijzing van de aanvraag, in het bestreden besluit in stand is gebleven, hetgeen de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft erkend. Daarmee is eiseres door het instellen van bezwaar niet in een nadeliger positie gekomen, zodat geen sprake is van schending van het verbod op reformatio in peius.
4.7.
De rechtbank concludeert dat het betoog van eiseres niet slaagt. Verweerder heeft de aanvraag om bijzondere bijstand terecht afgewezen omdat de aanvraag te laat is ingediend. Gelet daarop behoeven de overige gronden van eiseres geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de CRVB van 17 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:127.
2.Zie de uitspraken van de CRVB van 7 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:906 en van 2 augustus 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1781.